Moerasdak

“Hoe was je weekend?” vraag ik mijn collega op maandagochtend bij het koffieautomaat. Zij kijkt mij over de rand van haar leesbril aan, fronst haar wenkbrauwen, en vraagt: “Heb je wel eens van een moerasdak gehoord?”

Die vraag had ik niet verwacht. Groene daken ken ik. Er groeien vetplanten op, of kruiden, of gras. Maar een moerasdak? In vroeger tijden was een moeras een gebied waar je beter niet kon komen. Gespuis en enge monsters hielden zich er op. Er was drijfzand en onverwachte gevaren. In sprookjes en thrillers is het DE plek waar de slechte dingen gebeuren. Je raakt er kwijt. Of vermoord. Of iets anders onprettigs. Blijf er ver vandaan is het devies dat we al van kinds af aan meekrijgen.

Blijkbaar kijk ik mijn collega vragend aan. Ze steekt van wal. Haar man had in het weekend een enthousiast betoog gehouden over een moerasdak. Het leek hem wel wat voor hun – nu nog standaard – platte dak. Zij had geknikt en “ja schat” gemompeld, terwijl in haar hoofd de meest angstaanjagende associaties met een moeras voorbij kwamen.

Veilig bij het koffieautomaat gebeurt mij hetzelfde. “Schat, ik ben even het dak op”, zegt zo’n echtgenoot. En vervolgens zie je hem nooit meer terug. Verdronken in het moerasdak, is de conclusie van het rechercheteam. “Risico van zo’n dak, mevrouwtje. Dat weet je als je er aan begint. Dit is al de derde dit jaar. Om het maar niet te hebben over al die vermiste huisdieren. Fikkie en Felix komen echt niet allemaal onder een auto terecht. Neem dat maar van ons aan. Zo’n moeras in de buurt oefent een aantrekkingskracht uit op zelfs de minst avontuurlijke huisdieren. Tja, duurzaamheid brengt zo z’n risico’s met zich mee.”

Mijn collega haalt haar kopje onder de automaat vandaan, laat een suikerklontje in haar cappuccino vallen en roert. “Het is niet dat ik niet groen wil leven, maar ik moet erg wennen aan het idee om onder een moeras te wonen. Maar, zo benadrukt mijn man, we zouden wel de eerste in het dorp zijn met zo’n dak. Dat is voor hem belangrijk.”

“Maar wat is een moerasdak nou eigenlijk?” vraag ik mijn collega. Het blijkt iets minder spannend dan het in mijn fantasie was geworden, veel minder spannend. Huisdieren zijn veilig en echtgenoten ook. Het is een dak waar permanent een laagje water op staat met daarin blijvend groene waterplanten. Het dak dient als waterberging waardoor bij fikse regenbuien de riolering wordt ontzien. Ook heeft het een isolerende werking: koel in de zomer, warm in de winter.

Niet te vergelijken met het concept moeras dat ik uit mijn jeugd ken dus. Tussen toen en nu ligt een hele wereld en het is nu zover dat mensen zelf, bewust, een moeras opzoeken. Sterker nog, ze halen het in (of eigenlijk op) huis! Een moerasdak als groen prestigeobject. Dat is weer wat anders dan de nieuwste elektrische auto.

Als we teruglopen naar de kantoortuin moet mijn collega toegeven dat het – nu ze zichzelf alle voordelen hoort opsommen – wel aantrekkelijk begint te klinken. “Alleen die naam hè…” Ik knik instemmend en denk bij mezelf, daar valt wat aan te doen. “Wat denk je van een Shrekdak?” Ik spreek het uit als shrekdek. “De tekenfilmheld Shrek woont immers lang en gelukkig in the Swamp.” Mijn collega lacht. “Dat vinden de kinderen vast leuk. En het bekt nog lekker ook!”

Advertenties

Dezelfde kleur

In het keukentje op onze afdeling bereiden twee schilders het verven van één van de muren voor. Ze hebben een stucloper op de grond gelegd en plakken nu de tegels af. Er is nog wat ruimte over voor het koffieautomaat en ik vraag aan de dichtstbijzijnde schilder of het een probleem is als ik tussendoor even koffie pak. “Nee hoor”, zegt hij vrolijk, “als je erbij kan…”

Ik wring me tussen schilder en koffieautomaat en pak twee kopjes. “Welke kleur wordt het?” vraag ik de schilders. “Dezelfde kleur als nu” is het antwoord, iets minder vrolijk. Een muur precies dezelfde kleur schilderen, waardoor je het verschil eigenlijk niet ziet, zit natuurlijk weinig uitdaging in.

“En als jullie zelf mochten kiezen, welke kleur zou het dan worden?” vraag ik de mannen terwijl ik een cappuccino tap voor mijn collega en mij. Er verschijnt een brede grijns op het gezicht van de voorste schilder. “Oranje” is zijn besliste antwoord.

Ik kijk hem verrast aan en zijn grijns wordt nog wat breder. Zijn collega kijkt op van zijn werk en vraagt zich hardop af of dat nu wel zo verstandig is. Gezien de slechte resultaten van ons elftal de laatste tijd. De grijnzende man denkt even na, kijkt iets minder enthousiast en geeft dan zijn collega gelijk. Onze jongens hebben eigenlijk niet zo’n eerbetoon verdiend.

De cappuccino is klaar en ik wens de schilders nog een fijne werkdag. “Jij ook” zeggen ze beide. De grijnzende schilder gaat verder met het afplakken van de tegels, terwijl de teleurgestelde oranjefan de pot roze verf openmaakt. Het is inderdaad precies dezelfde kleur als de muur.

Warmetruiendag

Warmetruiendag

Afgelopen vrijdag was het warmetruiendag. In het kader van energiebesparing gaat dan op veel plaatsen in het land de verwarming een standje lager. Ook mijn werkgever deed mee en al een aantal weken van tevoren werd aangekondigd dat die dag de verwarming een graad lager zou staan dan normaal. Dit riep veel reacties op.

Nu is de temperatuur in grotere gebouwen over het algemeen een bron van ergernis en discussie. De beheersing blijkt lastig. In de zomer is het zo koud dat je ondanks de 30 graden buiten wel een vest voor binnen mee moet nemen. In de winter moeten die vesten juist – ondanks de lage temperaturen buiten – weer uit. Een graadje lager leek mij daarom helemaal geen probleem.

Mijn collega’s dachten daar anders over en deze vrijdag was het gebouw welhaast verlaten. Men was massaal thuis gaan werken, waar de verwarming net als altijd op een behaaglijke 20 graden stond. Met een nespresso binnen handbereik prezen zij zich gelukkig dat zij de dag niet in de vrieskou op kantoor hoefden door te brengen.

Ondertussen op kantoor was de temperatuur aangenaam. Ik had mijn warme trui aan (want hey, op warmetruiendag draag je een warme trui) en een extra sjaal in mijn tas. Maar nodig was het niet. Die graad lager beviel uitstekend. Mijn weinige – eveneens in warme truien gehulde – collega’s konden dit alleen maar beamen.

Doe mij vaker zo’n dag! En niet alleen in de winter. In die koude kantoorzomers kun je ook energie besparen. Ik pleit daarom naast warmetruiendagen in de winter, voor kortemouwendagen in de zomer. In ieder geval in de grotere kantoorpanden.

En misschien kunnen we Nespresso vragen voor de sponsoring? Het was nu wel erg rustig op kantoor.

Treinkaartjes van de Kruidvat

AH to go koffiebon

Half staand, half leunend op de ‘leunbalk’ die tegen het wachthokje aan is bevestigd, kijkt hij in de verte. Ik volg zijn blik. Een donker spoor. Geen koplampen die opdoemen in de duisternis. Dan heft hij zijn hoofd. Door de luidspreker wordt dezelfde boodschap omgeroepen die de afgelopen twee uur regelmatig over het perron schalde: “In verband met een defecte trein is er geen treinverkeer mogelijk. Op dit moment is het nog niet bekend hoelang dit gaat duren.”

Toen ik een paar uur daarvoor uit de bus stapte, zag ik gelijk dat er wat mis was. Het anders zo rustige stationsplein stond vol met auto’s. Jonge mensen die uit school kwamen, stapten in bij hun vader, hun moeder, de vader van een vriend, van een vriendin. De borden boven het perron meldden een vertraging van 30 minuten. Het valt mee, dat ik nog optimistisch, met een blik op de gereed staande trein.

Als ik echter mensen uit diezelfde trein zie stappen, begin ik te twijfelen. Twee rokende meisjes temperen mijn optimisme. Een defecte trein een paar kilometer verderop en twee niet werkende wissels aan beide zijden van het station, is hun korte samenvatting. Hun taxi is net van huis vertrokken en is binnen 10 minuten hier. “Succes”, roepen ze me over hun schouder toe als zij zich ook richting stationsplein begeven.

Een korte zoektocht op 9292 om de reis eventueel per bus te doen, brengt geen goed nieuws. Ik zou pas de volgende dag aankomen. Een overnachting bij een bushalte ergens in de middle of nowhere lijkt me niet heel aantrekkelijk en dus installeer ik me maar op de leunbalk op het perron en wacht de berichtgeving af.

Naast me staat een oude man diep weggedoken in zijn jas. Zijn tijdelijke gesprekspartner is net vertrokken naar zijn familie met een “Ik wacht het thuis wel af, daar is het een stuk warmer”. Hij kijkt naar mij, duidelijk op zoek naar iemand om zijn leed mee te delen. Stapje voor stapje schuift hij dichterbij, zijn handen op de leunbalk.

“Waar moet u naartoe?” vraagt hij. Ik noem de stad, op 40 treinminuten van hier. Hij blijkt een stuk verder te moeten dan ik. “Utrecht”, zegt hij trots, “een mooie stad”. Ik beaam het, ken de stad, heb er jaren gewerkt. Als ik vraag hoe hij op dit station terechtgekomen is, volgt een warrig verhaal. Ik maak eruit op dat hij vanochtend vroeg vertrokken is naar Nijmegen en via Arnhem en nog een paar plaatsen waar hij de namen van vergeten is, hier uit gekomen is.

“Ik ben hier geboren, moet u weten, 87 jaar geleden”. In zijn blik, zie ik dat er heel wat is veranderd sindsdien. “Maar de taal ben ik niet verleerd”, zegt hij in het Fries, “het is alleen wat roestig geworden”. Hij blijkt al decennia in het midden van het land te wonen. Met treinkaartjes van de Kruidvat reist hij het hele land door. Of hij de steden ook daadwerkelijk bezoekt, kan ik uit zijn verhaal niet opmaken. Door de constante stroom van omroepberichten raakt hij elke keer de draad kwijt en pakt zijn verhaal daarna op een ander (voor hem misschien heel logisch) punt weer op.

Als er gratis koffie en thee wordt aangeboden, sloft de kleumende man richting AH-to-go (“Wat is dat? Ahatoegoo?” vroeg hij nog en of er ook zo’n dekseltje op de koffiebeker zit). Even later duikt hij weer op. Zonder koffie. Het bleek op te zijn, de Albert Heijn kon de grote toestroom treinreizigers niet aan. Uit zijn zak tovert hij wel twee tegoedbonnen tevoorschijn voor een gratis kop koffie of thee. “Ook één voor u. Voor de volgende vertraging.” Hij lacht zijn tanden bloot.

Even zie ik een jonge man tevoorschijn komen. Een glimp sierlijke hoffelijkheid van lang geleden. Toen de treinkaartjes nog niet van de Kruidvat waren. Toen zijn Fries nog niet roestig was. Toen treinreizen naar Utrecht ook zo lang duurden. Alleen zat je toen in de trein, op weg naar je bestemming. Als jonge man, met nog een heel leven voor je.

Tijwisselaar

Afbeelding: evangelievolgenspuck.wordpress.com
Afbeelding: evangelievolgenspuck.wordpress.com

Het is 9 uur ’s ochtends en ik ben toe aan mijn derde kopje thee. Bij het koffieautomaat staat een collega bezwerende gebaren te maken naar het kopje dat onder het apparaat staat. Als ze mijn blik ziet, legt ze uit dat dit helpt de koffie sneller in het kopje te krijgen. “Wordt het dan ook lekkerder?” vraag ik . “Ja”, beaamt ze, “de koffie wordt zo ook lekkerder”.

Even is het stil en kijken we allebei naar het straaltje dat nu in het kopje loopt. “Ik ben eigenlijk een tijwisselaar” zegt ze. “Van Marten Toonder” voegt ze er aan toe als ze me niet-begrijpende voorhoofdfrons ziet. Ze vertelt dat de tijwisselaar eb en vloed regelt. Hij is er van overtuigd dat er geen getijden meer zijn, als hij dit niet doet.

“Zo ben ik ook. Of eigenlijk, zo zijn heel veel mensen. Altijd druk, vinden het lastig dingen los te laten, want dan komt het niet goed …” Het kopje is inmiddels vol. Ze schenkt er een scheutje koffiemelk in en doet een stap opzij, zodat ik mijn kopje onder het apparaat kan zetten. “Maar wat gaat er eigenlijk mis als we niet alle ballen in de lucht houden? Vaak komen we daar nooit achter.”

Ze heeft gelijk. Mensen houden met alle macht vast aan hun getijdenregels. Hebben het steeds vaker druk. Het woord ‘drukdrukdruk’ (gezegd op een luchtige toon en met een verontschuldigende glimlach) is hard bezig ingeburgerd te raken als halfslachtig excuus voor te laat komen, afspraken afzeggen, dingen niet afkrijgen, etc, etc. Wij zijn eigenlijk allemaal tijwisselaars.

“Je kunt jezelf heel wat wijs maken”, mompelt een andere collega in het voorbijgaan. Met zijn net gevulde Dopper loopt hij terug naar zijn plek. Hij draagt zijn water niet naar de zee. Dat is duidelijk.

Laat je hakken thuis

Afbeelding: kaskuinre.nl
Afbeelding: kaskuinre.nl

“Wil je niet meedoen met de dropping?” vroeg een collega me bij het koffieautomaat, terwijl ik een zwarte koffie, een cappuccino met suiker en een latte macchiato extra sterk aan het tappen was. Je kon je in groepen opgeven en zij zocht nog een paar extra teamleden. “Of ben je niet lid van de personeelsvereniging”, kwam er aarzelend achteraan. “Ja, ik ben wel lid”, begon ik, “maar een dropping …”

De actieve personeelsvereniging blijkt op de aantrekkelijke datum vrijdag de 13e een dropping te organiseren, ’s avonds, in het donker, ergens in een bosrijk gebied. De verschillende teams krijgen een GPS mee en dienen met behulp van opdrachten hun weg te vinden. ‘Zorg voor kleding die vies mag worden’, staat er in de uitnodiging die ik later in mijn mailbox vind, ‘en laat je hakken thuis’.

Lang geleden heb ik mijn eerste en laatste dropping meegemaakt. Op brugklaskamp werden we ’s avonds in groepen, geblinddoekt, in een boot vervoerd naar de droppingplek. Deze lag ergens in een weiland, te midden van vele andere weilanden. Althans, daar gingen we van uit, het was donker en niemand wist waar we waren.

Ik kan me niet meer herinneren of we een zaklantaarn hadden. We hadden wel een kompas, dus een zaklantaarn was zeker geen overbodige luxe geweest. Mobieltjes met zaklantaarn-app bestonden toen nog niet. Het weiland was in ieder geval knap modderig, dat weet ik nog wel. Onderweg kwamen we meerdere obstakels tegen in de vorm van hekken, bosjes, sloten (al dan niet droog) en koeien. De modder zat overal. Misschien nog wel het minste op mijn schoenen.

We hebben uiteindelijk het kamp bereikt. Dat moet haast wel. Anders zat ik hier niet.

Deze associatie met een dropping maakte dat ik aarzelde in mijn reactie aan mijn collega. Donker, modder, kou, afhankelijkheid van teamleden waarvan er altijd eentje het beter weet. Wie is de mol, Sterrenslag, Expeditie Robinson flitsen voorbij. Verdwalen in Nederlandse bossen kan niet, wordt er altijd gezegd. Maar iemand moet de eerste zijn. En met mijn (gebrek aan) richtingsgevoel ben ik een goede kandidaat.

“Je koffie” onderbreekt mijn collega m’n gedachten, terwijl ze naar het kopje onder het apparaat wijst. “En denk je nog even na over de dropping? Het wordt vast heel gezellig”, Ik kijk haar na, terwijl ze naar haar plek loopt. Ja, ik denk er nog even over na, eerst even de denkbeeldige modder van me afschudden … en me opwarmen aan mijn inmiddels niet meer zo heel warme cappuccino.

Mijn kippen

wpid-fotor_144243123934376.jpgDe donkergrijze deur die de cursuszaal afsluit, is bedekt met geeltjes. Tevreden kijkt de trainer naar het resultaat van de vraag die nog steeds op de witte muur voorin het lokaal geprojecteerd wordt: “Waar sta je voor op? Wat drijft je in je leven?” Minimaal twee geeltjes per persoon, schat ze zo in. Een goede opbrengst na de aarzelende eerste reacties. Hij moest duidelijk even bezinken bij de cursisten, deze vraag. Na een ontkennend antwoord op “Maar moeten we dan een persoon noemen?” begonnen de eerste mensen te schrijven. De rest volgde al snel.

Met een geoefend oog scant ze de gele rechthoeken. Het is niet de eerste keer dat ze deze opdracht geeft. Zoals verwacht herkent ze meerdere drijfveren. Namen van partners, kinderen, huisdieren en vrienden ontbreken ook dit keer niet. Net als de nodige sporten. Voetbal ziet ze staan, fietsen, tennissen. Andere cursisten zoeken het op een ander vlak, ziet ze. Spiritualiteit en verrassende ontmoetingen hangen naast vrijheid en sprekers over persoonlijke ontwikkeling. Ze vat deze laatste maar even als compliment op.

Dan ziet ze een motivatie die ze nog niet eerder is tegengekomen. Tussen open mensen en koffie staat helemaal bovenaan op een geeltje duidelijk leesbaar mijn kippen. ‘Chickies’ denkt ze onbewust, maar ze drukt deze gedachte snel weer weg. “Van wie is deze?” vraagt ze aan de twintig gezichten die haar aankijken. Een oudere man op de achterste rij steekt zijn hand op.

Opeens zitten we niet meer in een door felle Tl-buizen verlicht lokaal. We zien de kippen van onze medecursist over het erf scharrelen. Horen de haan kraaien. Hij vertelt over de productiedoelen waar de kippen aan zijn gebonden. Leggen ze niet meer voldoende eieren, dan gaan ze weg. “Soepkip” klinkt het van de andere kant van de zaal. Er volgt gegrinnik. De man lacht vrolijk mee, ontkent niet en vertelt dan over de uitzondering. Over de negen jaar oude kip die vrijgesteld is van de productiedoelen. Tot aan haar natuurlijke dood.

Mensen zitten omgedraaid op hun stoel. Luisteren aandachtig naar de drijfveren van deze man. Naar de band tussen mens en kip. Gereduceerd tot twee woorden op een geeltje. Te midden van vele andere geeltjes op een donkergrijze deur in een ongezellige cursuszaal. Naar de glimlach van de trainer te oordelen zal deze oefening voorlopig niet het veld ruimen. Het resultaat voldoet nog ruimschoots aan de productiedoelen.

De glazenwasser

Afbeelding: hellerschoonmaak.nl
Afbeelding: hellerschoonmaak.nl

Ooit zeemde een glazenwasser een hartje voor me op het raam. Jaren geleden. Sindsdien bekijk ik glazenwassers met een andere blik. Afgelopen week was het weer de tijd van het jaar. Gewapend met wisser en emmer kwamen ze de afdeling op. Niet verlegen om een praatje. Zeker niet verlegen om een praatje. Over welk onderwerp dan ook.

De twee al wat oudere mannen onderbreken hun gesprek over de eucalyptusgeur die uit hun emmer zou opstijgen, als ze de poster bij de ingang zien. Een verhandeling over Photoshop volgt. De poster wordt vakkundig beoordeeld en had – naar hun mening – op punten zeker wel wat beter gekund. Ik zie collega’s van de communicatieafdeling blikken uitwisselen. Een glimlach op hun gezicht. De poster is hun ontwerp.

Van Photoshop komt het gespreksonderwerp net zo makkelijk op Body Mass Index. Terwijl de ene glazenwasser een poging doet om het touwtje van de zonwering te vinden, vertelt de andere dat zijn BMI eigenlijk wel wat aan de hoge kant is. Hij legt zijn hand op zijn “vijftiger buikje”. “Maar ja, ik hou zo van lekker eten. Ach, als ik onder de 80 kilo blijf, vind ik het prima”. Zijn collega knikt instemmend en tilt bij gebrek aan touwtje de zonwering in zijn geheel op, zodat de glazenwasser met het buikje het raam kan zemen.

En dan is mijn raam aan de beurt. Ik maak al aanstalten om mijn tas weg te zetten, zodat de man erbij kan. Maar dat hoeft niet. En voor ik het in de gaten heb, springt de BMI-man verrassend energiek over de tas heen. Zijn wisser hupt mee op zijn heup. Met een goedkeurende glimlach kijkt zijn collega het aan. Je ziet hem denken: wat zegt BMI nu helemaal?

Achter de kast hoor ik even later het woord Eiffeltoren vallen en de Golden Gate Bridge. Het schijnt dat schilders hun hele leven kunnen werken aan een van deze gebouwen. Als ze eindelijk klaar zijn, kunnen ze weer opnieuw beginnen. Het lijkt de glazenwassers niks. De hele dag ramen wassen en dan ook nog hetzelfde gebouw. Nee, geef hun maar wat afwisseling, andere gebouwen, andere mensen, een beetje kletsen.

Een tijdje later klinkt er een groet op van de andere kant van de afdeling. “Doeg, tot de volgende keer”. Mensen groeten terug en kijken de twee mannen na. De geur van citroen met misschien een vleugje eucalyptus blijft nog lang hangen.

De zakdoekjesboom

Pater David (Bron: nl.wikipedia.org)
Pater David (Bron: nl.wikipedia.org)

1869 – West-China: het is drukkend warm, om hem heen klinken kreten van vogels en wilde dieren die hij niet thuis kan brengen. De hele dag al is hij onderweg, voortdurend om zich heen kijkend of hij onbekende dier- of plantsoorten ziet. Het is zijn tweede grote reis door dit gebied. En als het aan hem ligt, zeker niet zijn laatste. Zoveel soorten wachtend om ontdekt te worden. Waarvan toch zeker nog een groot aantal door hem: Armand David, 43 jaar oud, Franse missiepater en niet in de laatste plaats dier- en plantkundige.

Zeven jaar geleden was het nog maar, dat hij – nog maar nauwelijks tot priester gewijd – naar Beijing werd gestuurd. Een roeping, een avontuur en een kans. Inmiddels kan hij al een grote collectie amfibieën, reptielen, vissen, insecten en zelfs een hert op zijn naam schrijven, deze laatste letterlijk: het Pater-Davidshert. “Wat kan een mens zich nog meer wensen”, denkt hij bij zichzelf, totdat zijn oog valt op een boom, zoals hij er nog niet eerder een gezien heeft.

Statig staat hij daar, zo’n 15 meter hoog. Hij zit vol grote witte bloemen die zachtjes wuiven in de wind. De gelijkenis met zakdoeken dringt zich op, zakdoeken aan een drooglijn. Gefascineerd blijft pater David staan. “Zakdoeken, maar ook duiven lijken het”, denkt hij. Langzaam dringt een onaangename lucht zijn neusgaten binnen. Een paar stappen richting de boom bevestigen zijn vermoeden. Het is de boom die deze geur verspreidt. Een glimlach speelt om zijn lippen. “Dit zullen ze leuk vinden, in het verre Frankrijk”.

2015 – Nederland: het is een grijze doordeweekse dag in mei. Samen met een paar collega’s heb ik buiten de deur geluncht en we lopen nu samen terug naar kantoor. “Laten we door het parkje gaan”, stelt een van mijn collega’s voor, “er schijnt daar een bijzondere boom in bloei te staan, de zakdoekjesboom”. Niemand van ons kent de boom, maar onze interesse is gewekt, de naam prikkelt onze fantasie. Hoe zou een zakdoekjesboom eruit zien?
Zakdoekjesboom
We worden niet teleurgesteld. De zo’n 7 meter hoge boom springt er direct uit. De grote witte bloemen wuiven zachtjes in de wind. De boom doet zijn sprookjesachtige naam eer aan. De gelijkenis met zakdoeken aan een droogmolen is treffend. Gefascineerd haal ik mijn smartphone tevoorschijn om het schouwspel vast te leggen. Ik heb geen idee van de oorsprong, dat de boom vernoemd is naar zijn ontdekker (Davidia), dat er op dit moment maar twee volwassen exemplaren in Nederland bekend zijn, dat het wel 10 tot 15 jaar duurt voordat de boom voor het eerst in bloei komt. En dat allemaal op een steenworp afstand van mijn werk.

’s Avonds thuis laat de boom mij niet los. Ik lees over begraafplaatsen waar deze boom staat vanwege de symboliek. Hij zou de verdrietige nabestaanden na een begrafenis een helpende hand bieden. Samen met de doodsbeenderenboom, de treurwilg, de hemelboom en de levensboom. Ook in andere talen komt in de naam de verwijzing naar de zakdoek terug (Engels: Handkerchief tree, Frans: Arbre aux mouchoirs, Duits: Taschentuchbaum). Op Twitter worden omstreeks deze tijd veel meldingen gemaakt van bloeiende zakdoekjesbomen.

Met elk nieuw bijzonder feitje groeit mijn enthousiasme over mijn ‘ontdekking’ in het parkje achter mijn werk. Het moet een beetje voelen zoals de echte ontdekking in de Chinese wildernis, bijna 150 jaar geleden. Een heel klein beetje.

Dialoog bij de koelkast

Afbeelding: modern.nl
Afbeelding: modern.nl

Twee collega’s staan bij de koelkast. De deur staat open en beide kijken fronsend naar binnen.

“Wat zit er in dat zakje?”
“Kaas misschien?”
“Durf jij het te pakken?”
“Nee …”

In het keukentje hangt al de hele dag een ondefinieerbare geur die zelfs met de beste wil van de wereld niet als fijn of aangenaam bestempeld kan worden. De twee dapperen hebben de stoute schoenen aangetrokken en zijn op zoek gegaan naar de oorzaak.

Toen ik de dialoog hoorde, zweefde vrijwel onmiddellijk Weird Al Yankovic mijn hoofd binnen. En dan in het bijzonder zijn lied Livin’ in the Fridge, een parodie op Livin’ on the Edge van Aerosmith. Minutenlang zingt Weird Al over zijn koelkast en dan vooral over hetgeen er in ligt. Iets dat waarschijnlijk van zijn huisgenoot is, maar nu niet meer herkenbaar is als iets eetbaars. Hij eindigt zijn eerste couplet met de weinig goeds belovende zin “It looks like it’s alive …” Was dat ook een gedachte die door het hoofd van mijn collega schoot toen hij ervoor bedankte om het zakje te pakken?

Misschien kende hij het liedje van Weird Al. Schoten de woorden “green” en “growin’ hair” door zijn hoofd. Is het geen kaas, maar “wooly mammoth steak” of “liver cake” dat al de hele week ligt te rotten. Wie weet, misschien al sinds juli. Niet iets om op te pakken. En als hij de tekst kent, weet hij ook dat hij zeker geen tweede keer moet gaan kijken. Weird Al deed het wel aan het einde van zijn lied. De aandachtige luisteraar hoort na “Well, maybe I should take another peek…” de koelkastdeur piepend opengaan. Direct gevolgd door een afschrikwekkende schreeuw.

Hoewel bij deze spannende situatie een passend einde had gepast – iets in de trant van “Na het openen van de koelkastdeur zijn de dappere collega’s nooit meer gezien” – was de realiteit iets minder spectaculair. Althans dat denk ik. De geur is verdwenen en de collega’s lopen nog vrolijk rond op onze afdeling.

Alhoewel… het lijkt of een van de twee wat mank loopt sinds het incident … Maar dat kan ook mijn verbeelding zijn.

De songtekst van Livin’ in the Fridge (1993) van Weird Al Yankovic (via http://www.azlyrics.com)

There’s something weird in the fridge today
I don’t know what it is
Food I can’t recognize
My roommate won’t throw a thing away
I guess it’s probably his
It looks like it’s alive…

And livin’ in the fridge… livin’ in the fridge
Livin’ in the fridge… livin’ in the fridge

There’s something gross in the fridge today
It’s green and growin’ hair
It’s been there since July
If you can name the object
In that baggie over there
Then mister, you’re a better man than I

It’s livin’ in the fridge
You can’t stop (dysentary) the mold from growin’ (dysentary)
Livin’ in the fridge
Can’t tell what (dysentary) it is at all (dysentary)
Livin’ in the fridge
You can’t stop (dysentary) the mold from growin’ (dysentary)
Livin’ in the fridge

Tell me, do you think it should be carbon dated
Fumigated or creamated and buried at sea?
You try to save a little bit of you’re home cookin’
Couple weeks later, got a scary-lookin’ specimen
It always happens my friend
Again & again & again & again

Somethin’ stinks in the fridge today
And it’s been rottin’ there all week
It could be liver cake or wooly mammoth steak
Well, maybe I should take another peek…

Livin’ in the fridge
You can’t stop (dysentary) the mold from growin’ (dysentary)
Livin’ in the fridge
Can’t tell what (dysentary) it is at all (dysentary)
Livin’ in the fridge
You can’t stop (dysentary) the mold from growin’ (dysentary)
Livin’ in the fridge
Livin’ in the fridge
Don’t know what it is, don’t know what it is
Livin’ in the fridge
Don’t know what it is, don’t know what it is
Livin’ in the fridge
Don’t know what it is at all
Livin’ in the fridge, yeah
Yeah yeah yeah yeah yeah yeah yeah yeah yeah
Yeah yeah yeah yeah yeah yeah