Door het raam

Soort gedicht: Raamgedicht
Waar: Hulshorst
Dichter: Jozef Deleu

Het kwam als een aangename verrassing op 1e Pinksterdag. Wandelend over een karrenspoor, weilanden om me heen, in de verte het dorpje Hulshorst, sta ik opeens oog in oog met een straatgedicht. Of eigenlijk een raamgedicht. Het glas waar de tekst op te lezen is, is ingeklemd tussen twee houten palen. Ernaast staat een scheefgezakt bankje, dat zijn functie niet meer kan vervullen. Ooit kon de voorbijganger hier gaan zitten en uitkijkend over de weilanden het gedicht op zich in laten werken.

Een bijzondere plek voor een straatgedicht. De aantallen voorbijgangers zullen niet immens zijn, hoewel het populaire Westerborkpad langs dit gedicht voert. Ook ik loop dit pad en kom vandaag uit Harderwijk gewandeld.

Ik moest moeite doen om het gedicht enigszins leesbaar op de foto te krijgen. In alle mogelijke houdingen heb ik voor het raam gestaan. Eigenlijk, dacht ik toen, moet ik wachten totdat de zon minder schittert of achter een wolk verdwijnt. Want licht wandelt, daar slaat de dichter Jozef Deleu de spijker op zijn kop. Op elk moment van de dag is het gedicht te lezen tegen een andere achtergrond, hoewel het gras en de bomen blijven.

Elk uur van de dag, elke dag, jaar in, jaar uit zijn foto’s van deze plek verschillend. Het weer, de seizoenen, maar ook de mens zijn hier debet aan. Licht en schaduwen wisselen elkaar af. Wat zou het een mooie collage opleveren als je 365 dagen lang op een vast uur en een vaste plek een foto maakt van dit gedicht. Het jaar in beelden als bewijs dat dit korte gedicht zo waar is.

LANDSCHAP 2

Kijken
hoe het licht
wandelt

over het land
met de schaduw
aan de hand

hoe de ruimte
vorm krijgt

van zien

Jozef Deleu

Stichting Muurgedichten Nunspeet koos heel bewust voor dit gedicht op deze plek. Je kunt het zien als een aansporing voor de voorbijganger om het oude cultuurlandschap door het gedicht (letterlijk en figuurlijk) te (her)ontdekken. Jozef Deleu (1937) is bij uitstek de dichter voor dit doel. De Vlaamse dichter en prozaschrijver richtte in 1957 met twee anderen het Belgisch-Nederlandse culturele tijdschrift Ons Erfdeel op en was jarenlang hoofdredacteur van het blad. Hij krijgt grote bekendheid als voorvechter voor een volwaardige plaats van de Vlaamse en Nederlandse cultuur binnen Europa.

Ik kende Jozef Deleu niet. Hij is, lees ik op de site van de stichting, geen veelschrijver “maar schrijft alleen op wat hij echt van belang vindt. Daarom zijn met name zijn gedichten veelzeggend”. Landschap 2 is een goede illustratie. Het maakt mij benieuwd naar zijn andere gedichten. Met het voornemen om hem op te zoeken in de bibliotheek, vervolg ik mijn weg naar Nunspeet, naar het volgende straatgedicht.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welk straatgedicht is jou opgevallen?

Advertenties

Wandelbankje

Soort gedicht: Bankgedicht
Waar: Schalkwijk (Eiland van Schalkwijk)
Dichter: Maria van de Looverbosch

Elke wandelaar kent ze: de bankjes onderweg tijdens een wandeltocht. Je kijkt er al een tijdje smachtend naar uit. Om daar je hongerklop te bezweren met meegebrachte boterhammen. Of je te verwarmen aan de koffie uit je thermoskan. Of om gewoon neer te strijken en even uit te rusten. Liefst met uitzicht. Bij warme dagen in de schaduw en bij koudere dagen in de zon. Dergelijke bankjes hebben zelfs een naam, een website en vele volgers op social media. Dit zijn de zogenaamde wandelbankjes.

Nu zijn deze bankjes niet exclusief voor wandelaars gereserveerd. Het staat iedereen die langskomt vrij er gebruik van te maken. Als fietsende wandelaar doe ik dat ook regelmatig, zowel wandelend als fietsend. Gezeten op zo’n bankje, heb ik al heel wat landschappen bewonderd. In binnen- en buitenland. Op een zonovergoten Bevrijdingsdag stap ik van mijn fiets om een late lunch te gebruiken op een van de eerste bankjes na aankomst met de veerpont Culemborg – Schalkwijk.

Het wandelbankje staat op het Eiland van Schalkwijk, aan de Veerweg bij de Lekdijk. Je hebt weids uitzicht over de uiterwaarden van de Lek en regelmatig trekken er hordes mensen voorbij die net van de pont afkomen. Echt rustig is het niet, maar er is wel wat te zien. Tot mijn verrassing blijkt het bankje een bankgedicht te bezitten.

Voor Leo van de Looverbosch en Jan Koudijs

HOUTEN, BANKEN

het landschap is niet om te haasten daarom
verplaats het langzaam langs uw oog
zorg daarbij voor stil uitzicht en laat zacht
zonlicht erop kaatsen en wees niet vooringenomen:
denk niet: ik ken het hier, ‘k heb het allang gezien

want haast doodt alles, in heel het leven
het is die zuivere eenvoud van het zitten die toont
hoe verder je kunt kijken, hoe meer je ziet
dichtbij en hoe rustiger je gaat begrijpen
bankjes langs de weg tonen de essentie aan

en wie razen er hier voorbij gemotoriseerd
of zelfs per fiets kun je te hard rijden
om te kunnen zien wat er gezien moet worden
en de tijd te nemen om stil te gaan zitten
even te leven als, ik zeg: een boom

Maria van de Looverbosch
1e dorpsdichteres van de gemeente Houten

Het gedicht is van de hand van Maria van de Looverbosch. In 2008 is zij benoemd tot eerste dorpsdichteres van de gemeente Houten. Naast gedichten schrijft zij ook proza, korte verhalen, romans, essays en wetenschappelijke artikelen, zowel over ethiek als biologie. Het gedicht is opgedragen aan Leo van de Looverbosch en Jan Koudijs, beide inmiddels overleden. De eerste is de vader van de dichteres. Zij schrijft:

“Omdat ik het kijken vanaf een bank langs de weg of bosrand van ons vader geleerd heb èn bijzonder ben gaan waarderen draag ik dit gedicht op aan hem.”

Jan Koudijs was wethouder van Houten tussen 2006 en 2010. Hij heeft Maria van de Looverbosch aangesteld als eerste dorpsdichteres.

Van de Looverbosch maant in haar gedicht de voorbijganger even pas op de plaats te maken, te gaan zitten en om zich heen te kijken. Echt te kijken en het landschap “langzaam langs uw oog” te verplaatsen. Geen enkel uitzicht is elke dag hetzelfde. Je denkt het wellicht te kennen, maar als je echt even de tijd neemt, zie je meer. In het dagelijkse leven is ‘haast’ een alomtegenwoordige factor. De dichteres lijkt de passant een moment van rust te willen geven op dit bankje. Om “even te leven als, ik zeg: een boom” en overpeinzingen de vrije loop te laten.

Na een fietstocht van 50 kilometer en nog ettelijke kilometers voor de boeg kijk ik om me heen en eet geheel ontspannen mijn boterhammen. Op de fiets kun je je onderdompelen in het landschap maar wandelend zie je meer. Zittend op een bankje echter kun je de omgeving echt in je opnemen. “Die zuivere eenvoud van het zitten” blijft onderdeel uitmaken van mijn wandel- en fietstochten. Het is zoals Maria van de Looverbosch zegt: “Het landschap is niet om te haasten”. Maak gebruik van die wandelbankjes.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welke straatgedicht is jou opgevallen?

Stationsgedicht

Soort gedicht: Muurgedicht / Stationsgedicht
Waar: Bussum
Dichter: Gaston Bannier

Stations, ik breng er veel tijd door. Op een gemiddelde werkdag vertoef ik toch – alles bij elkaar – zo een half uur op de verschillende treinstations die ik aandoe. Ook op andere dagen reis ik – als het even kan – met de trein naar mijn plek van bestemming. Zo ook tijdens het wandelen van het Westerborkpad dat tussen Amsterdam en voormalig Kamp Westerbork veelal het spoor volgt. Tijdens een van de etappes kom ik een bijzonder soort straatgedicht tegen: het stationsgedicht.

Straatpoëzie is bedoeld om een gevarieerd publiek kennis te laten maken met een gedicht, een dichter of wellicht iets te zeggen over de plek waar het betreffende gedicht hangt. In een willekeurige straat krijgt een gedicht aandacht van de voorbijganger die toevallig omhoog (muurgedicht) of omlaag (grondgedicht) kijkt. Velen zullen er echter, zonder het te weten, aan voorbij lopen.

Een station daarentegen is dé plek van de wachtenden. Op een trein of bijvoorbeeld een afspraak. Bij uitstek een locatie voor een gedicht. Ik zie ze dan ook steeds meer verschijnen, deze stationsgedichten. Sinds mijn eerste op station Kampen-Zuid, kijk ik op – voor mij nieuwe – stations altijd even bewust om me heen. Is er ergens een gedicht verscholen?

Op station Naarden-Bussum is het raak. Na een lange etappe vanuit Weesp via Muiden, Muiderberg en het Naardermeer stap ik op een koude januaridag in Bussum het bijzondere stationsgebouw binnen. Het kubistisch-expressionistische gebouw uit 1926 met de asymmetrische vormen, de indrukwekkende hal met bijzondere lampen en de glas-in-loodramen maakt dat ik even rustig om me heen kijk. Dan valt mijn oog op de twee muurgedichten in de stationshal die gebroederlijk naast elkaar hangen.

Beiden zijn van Gaston Bannier, kunstenaar, dichter en performer. Van 2013 tot en met 2015 was hij stadsdichter van de gemeente Bussum en heeft meerdere straatgedichten achtergelaten in deze plaats. Zo ook hier, op dit station. Vooral het korte gedicht spreekt me aan.

hier komen de verhalen uit hun huizen,
staan de stoelen klaar voor vertrek.
hier spreekt men af,
ergens in de tijd,
in het licht of in de duisternis,
als binnen op weg naar buiten is.

Gaston Bannier

Ik herken het treinleven dat ik zo goed ken. Een station is een plek waar mensen bij elkaar komen, die elkaar anders nooit ontmoet hadden. De trein is hun overeenkomst. Maar elke reiziger brengt zijn eigen verhaal mee. Een verhaal dat voor de andere reizigers vaak verborgen blijft. Starend naar hun telefoons wacht men op de trein, zit men in de trein en gaat zijns weegs.

Maar heel soms heb je geluk en komen niet alleen de mensen maar ook de verhalen naar buiten. Een vertraging wil hier nog wel eens bij helpen. Gezamenlijk leed maakt de tongen los. Althans dat is mijn ervaring. Elke dag stap ik in de trein met de stiekeme hoop op een verhaal. Ze zijn er. Overal. Ze moeten alleen hun weg naar buiten vinden.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welke straatgedicht is jou opgevallen?

Gedenkt te sterven

Soort gedicht: Muurgedicht
Waar: Hilversum
Dichter: Robert Grijsen

We zijn al vroeg uit de veren en arriveren nog voor de kerken ingaan op onze plek van bestemming: Hilversum. De plaats in Het Gooi is het beginpunt van onze vijfde etappe van het Westerborkpad dat ons vandaag over de provinciegrenzen leidt. Vanaf het station lopen we het centrum in. Het is stil op straat. Op enkele kerkgangers na. Wij lopen ze tegemoet als zij zich richting de Grote Kerk begeven. Zij gaan de kerkdeuren door, wij betreden de er tegenoverliggende begraafplaats.

Met de toepasselijke naam Gedenkt te sterven is deze oudste begraafplaats van Hilversum een oase van rust. Grote oude beuken bieden schaduw in warme zomers. De muur schermt de bezoeker af van het drukke stadsgewoel. Begraven wordt er al lang niet meer. In de Tweede Wereldoorlog vond de laatste begrafenis plaats. Her en der liggen nog enkele grafstenen maar de meeste graven zijn geruimd.

Bij de opening in 1792 lag de begraafplaats aan de rand van de stad. Tegenwoordig is het een klein, rustig stadspark aan de rand van het centrum. Het herbergt verschillende monumenten, waaronder enkelen uit de Tweede Wereldoorlog. Vandaar dat wij hier ook staan vandaag. Maar we vinden meer dan herinneringen aan de oorlog. Vlak voordat we de begraafplaats willen verlaten, stuiten we op een muurgedicht.

Gedenkt te sterven

Ontdek vandaag of morgen de verborgen
begraafplaats. Ga door het hek naar binnen.

Laat de stadsgeluiden voor wat ze zijn. Zeg
Zachtjes: het is rustig hier – en het is rustig.

Dwaal rond, zie de zerken links en rechts,
de kleine monumenten, de dodenlantaarn.

Voel hoe eeuwen samensmelten tot een
onbestemde tijd. Sta stil tussen de beuken,

de machtige wachters die zo veel hebben
meegemaakt, die zo vertrouwd zijn met

verdriet om wat is kwijtgeraakt. Bedenk
dat je sterfelijk bent, dat je ooit moet gaan.

Ooit, later, maar nu nog niet. Loop langzaam
over het pad, naar het hek waar je begon.

Leg je hand op de oude koele muur, zeg
zachtjes dat je terugkomt, en verlaat deze

plek, deze tuin van iedereen. Vervolg je weg.
Word weer deel van de stad. Leef.

Robert Grijsen

1792 – 2017

Als stadsdichter van Hilversum van 2015 tot en met 2017 schreef Robert Grijsen verschillende gedichten voor de plaats. In het kader van het 225-jarig bestaan van de begraafplaats werd hij gevraagd een muurgedicht te schrijven voor deze bijzondere plek. In juni 2017 werd de plaquette onthuld door de burgemeester.

Robert Grijsen wilde met zijn stadsdichterschap laten zien dat poëzie niet alleen maar zwaar en moeilijk hoeft te zijn maar ook toegankelijk en leuk is. Ik denk dat hij met dit gedicht een heel eind is gekomen. Ik kijk na het lezen om me heen, zie de oude beuken staan, hoor de stilte. Even daarvoor waren wij al langs de zerken gelopen, hadden de monumenten op ons in laten werken. De eeuwen geschiedenis die deze plek meegemaakt heeft, komen even heel dichtbij.

En dan is het tijd om verder te gaan. Het grootste deel van de etappe van vandaag wacht op ons. Met dit toepasselijke gedicht voor de Westerborkpadwandelaar – stilstaan bij de sterfelijkheid van de mens is een rode draad tijdens dit pad – vervolgen wij onze weg en worden weer deel van de stad. “Leef” galmt het nog na in onze hoofden.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welke straatgedicht is jou opgevallen?

Verdwenen kloosterlingen

Soort gedicht: Muurgedicht
Waar: Ten Boer
Dichter: Jean Pierre Rawie

Het is februari 2017 en ik heb net 17 kilometer afgelegd over Groningse plattelandswegen. Het Jacobspad is nog onontdekt terrein voor me en ik ben blij deze winterse etappe tot een goed einde te hebben gebracht. De komende maanden loop ik het zuiden en de betere seizoenen tegemoet om bijna een jaar later te eindigen in een Overijsselse Hanzestad.

Maar zover is het nog lang niet. Op dit moment loop ik het Groningse plaatsje Ten Boer in. Als het centrum van het dorp in zicht komt, loop ik bijna tegen de gevel op waar levensgroot een gedicht van Jean Pierre Rawie te lezen is. Een foto is snel gemaakt en bijna een jaar later ben ik mijn jongere ik dankbaar voor die actie. Met de Elke Maand Een Straatgedicht-uitdaging komt het gedicht nu goed van pas.

Jean Pierre Rawie (1951) is geen onbekende voor me. Tijdens mijn studie in Groningen kwam ik deze Groningse dichter regelmatig tegen. In dichtvorm wel te verstaan. Zijn gedichten gaan over de bekende thema’s in het leven zoals liefde en dood. Enige ironie is hem niet vreemd. Zo staat het gedicht Finis (uit: Het meisje en de dood, 1979) me nog helder voor de geest. Hij neemt hierin alvast een voorproefje op zijn eigen overlijden en schrijft een overlijdensbericht. De eerste strofe luidt:

Heden is, na een langdurig lijden
dat hij met godsvertrouwen droeg,
Jean Pierre Rawie van ons verscheiden,
Hij komt dus niet meer in de kroeg.

De dichter staat bekend om zijn flamboyante levensstijl. De drank heeft hem eind jaren 80 zelfs bijna zijn leven gekost. Tegenwoordig behoort Rawie tot de bestverkopende dichters van Nederland. Regels uit zijn gedichten worden vaak gebruikt in rouwadvertenties.

Nu kom ik hem hier tegen, in dit dorp, 10 kilometer van ‘Stad’, zoals Groningen door de Groningers genoemd wordt. Het gedicht uit mei 2007 is speciaal geschreven voor het nieuwe dorpscentrum met winkels en appartementen dat naar deze plek is verplaatst. Voorheen bevond het centrum zich op de Wierde, de plek waar in de 13e eeuw een nonnenklooster stond. Al wat nu nog rest van het benedictinessenklooster is de kerk. Statig en indrukwekkend, omsloten door de huizen van het dorp.

Het dunbevolkte gebied herbergt veel geschiedenis. Pas als je je er in verdiept, realiseer je je dat de wereld hier er vele eeuwen geleden heel anders uitzag. Tijdens de Groningse etappes van het Jacobspad ervoeren we dit aan den lijve. We passeerden meerdere plekken waar in vroeger tijden grote kloosters stonden, liepen over kerkepaden en bezochten indrukwekkende kerken in bijna verlaten dorpjes.

Het gedicht op de muur in Ten Boer past heel goed bij deze langeafstandwandeling en gaat als volgt:

De eeuwen kwamen en de eeuwen gingen.
De kleine dorpskern op de zwarte klei
veranderde met de veranderingen.
De stad kroop ieder jaar wat naderbij,

en veel verdween. De vroegere abdij
is heen, heen zijn de vrome kloosterlingen –
maar in de wind is het soms weer of wij
hen door de nieuwbouwwijken horen zingen.

mei 2017
Jean Pierre Rawie

Het verwoordt wat voor meerdere Groninger dorpen geldt. Door de eeuwen veranderen met de veranderingen de dorpen. En veel verdwijnt. En toen ik in het verlaten dorpje Wittewierum tussen de eeuwenoude omgevallen en halfvergane grafstenen stond – ooit de plek waar het beroemde klooster Bloemhof van abt Emo (van Emo’s reis van Dick E.H. de Boer) gevestigd was – kwam de geschiedenis wel heel dichtbij. Het leek zelfs even of ik in de wind de kloosterlingen hoorde zingen.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welke straatgedicht is jou opgevallen?

Lang vergeten namen

Soort gedicht: Bankgedicht
Waar: Amsterdam, Oosterspoorplein
Dichter: Viktor E. van Vriesland

Op een bankje in een park in Amsterdam kan de oplettende voorbijganger 27 woorden lezen die samen een gedicht vormen. In acht regels wordt er gerept over een gebeurtenis van lang geleden. Wellicht lang vergeten? Weten we überhaupt nog wat er mogelijk vergeten is? lijkt de dichter zich af te vragen.

Deze maand was ik een van die voorbijgangers. Een bewuste, wel te verstaan. Geholpen door het routeboekje van het Westerborkpad ging ik aan het begin van mijn tweede etappe van het lange afstandspad op zoek naar dit bankje dat een bijzonder straatgedicht herbergt – of eigenlijk een bankgedicht.

Het bankje staat op het Oosterspoorplein, vlakbij het Muiderpoortstation in Amsterdam. Het vormt een monument voor de ruim elfduizend Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog via het Muiderpoortstation zijn weggevoerd naar Kamp Westerbork en van daaruit naar vernietigingskampen in Midden-Europa. Slechts een enkeling is teruggekeerd. Veel van deze mensen woonden in de Transvaalbuurt, die grenst aan het station.

Op 3 oktober 2002 onthulde de toenmalige burgemeester Job Cohen het bankje en een informatiebord. Op die dag was het precies zestig jaar geleden dat het eerste transport vertrok vanaf het Muiderpoortstation. Het roestvrijstalen bankje is een ontwerp van Steffen Maas. Het gedicht is geschreven door Viktor E. van Vriesland (1892 – 1974), een Joodse dichter, criticus en vertaler.

Het gedicht dat in het bankje gegraveerd is, luidt als volgt:

Muiderpoortstation:

Tocht er door hun schimmen
Nog een stroom van lang,
Lang vergeten namen,
Lang vergeten ogen?

Zullen wij nog weten
Dat wij ons vergeten
Zijn vergeten?

Viktor E. van Vriesland

Het raakt mij, dit gedicht, over wie er lang geleden langs deze plek gekomen zijn. Nu, ruim 75 jaar later, zijn het nog slechts schimmen die thuishoren in een andere tijd. Een tijd waarvan de gruwelen ons bekend zijn. De namen van de slachtoffers echter raken in de vergetelheid. Wie waren het, die hier liepen? Hoe zagen zij eruit? De dichter vraagt zich zelfs af of wij inmiddels niet vergeten zijn, dat wij het zijn vergeten.

Maar zover is het gelukkig niet. Niet voor deze plek. Dit bankje, het gedicht, maar ook het Westerborkpad houden de geschiedenis die zich hier heeft afgespeeld levendig. En nog steeds, zestien jaar na de opening, blaast de wind door de gegraveerde letters van het gedicht en tocht het door hun schimmen.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welke straatgedicht is jou opgevallen?

Elke maand een straatgedicht

Je bent ze vast wel eens tegengekomen, gedichten op straat. Soms is een graffitikunstenaar zich te buiten gegaan of zijn stoepkrijtcollega. Maar steden en dorpen brengen zelf ook steeds vaker gedichten aan op muren, ramen of op de stoep. Leiden bijvoorbeeld herbergt veel gedichten, in allerlei talen. Als je door de binnenstad loopt, kun je ze bijna niet missen. Elke gedicht weer in een andere lay-out.

Als ik door een plaats wandel, let ik er steeds meer op. Ik kijk bewust om me heen of er ergens een uiting van poëzie te bespeuren is. En regelmatig word ik niet teleurgesteld. Het aanbod van dichters is divers, de lengte van het gedicht, de lay-out, de ondergrond. In grote steden, maar ook kleine dorpen kun je zomaar straatgedichten tegenkomen. Zelfs stations herbergen poëzie.

Op Instagram ben ik een verzameling begonnen van straatpoëzie. En ik ben niet de enige, getuige de keren dat hashtags als #streetpoetry en #straatpoëzie gebruikt worden. Over de hele wereld dient de straat als poëziepapier. In 2018 wil ik iets langer stilstaan bij het straatgedicht. Elke maand licht ik er een gedicht uit, reeds verzameld of net tegengekomen. Wie is de dichter, waarom dit gedicht en waarom op deze plek?

2018 wordt het jaar van Elke Maand een Straatgedicht (#EMES2018). De straatgedichten zijn hier terug te vinden. Welk straatgedicht is jou opgevallen?

Beurtbalkje

Ik hoorde van de week op mijn werk een woord dat ik nog niet eerder had gehoord. Nu komt dat wel vaker voor, maar dit woord wordt gebruikt in het inburgeringsexamen Nederlands. Als je dit woord niet kent, ben je niet goed ingeburgerd. Iedere nieuwe Nederlander zou namelijk moeten weten wat een beurtbalkje is. Ik en mijn collega’s wisten het niet. Maar wij hebben dan ook geen inburgeringsexamen gedaan.

Nu vind ik het eigenlijk wel een mooi woord. Het beschrijft wat het is. Een balkje dat aangeeft wiens beurt het is. Bij de kassa dan. Want daar kom je de beurtbalkjes in het wild tegen. Ik sta regelmatig in de rij bij de kassa en probeer dan vriendelijk te zijn voor de persoon achter mij door zo’n balkje achter mijn boodschappen te leggen. Ik heb er nooit bij stilgestaan hoe zoiets heet.

Er zijn meer woorden voor dingen die je in het dagelijkse leven gebruikt, maar die je niet kunt benoemen. Je verwijst ernaar met ding(etje), dat geval, een omschrijving of met een fysiek wijsgebaar. Zo zijn er die haakjes bovenaan je bergschoen waar je je veters langs legt (veterhaakjes?), de geribbelde tegels die blinden de weg naar o.a. de trein of de bus moeten wijzen (blindengeleidetegels?), dat apparaat dat voor de slagbomen van een parkeergarage staat en waarbij je op een knopje drukt om een parkeerticket te krijgen (is dit ook een parkeerautomaat, net als het apparaat waar je je kaartje betaalt? Dat zou dan wel wat verwarrend zijn.)

Gelukkig ken ik nu wel het woord voor de boodschapperscheider op de kassaband. En het woord is ouder dan ik dacht, het bestaat al sinds 1996. In het tijdschrift Onze Taal werd lezers toen gevraagd een naam te verzinnen voor dat ding dat veel mensen wekelijks of zelfs dagelijks gebruiken. Er kwamen veel suggesties binnen en vier van die suggesties luidden: beurtbalkje. De Taaladviesdienst riep dit allitererende woord uit tot winnaar. Beurtbalkje raakte hierna echter niet ingeburgerd en er moest een actiegroep aan te pas komen om in 2005 het woord in de Van Dale te krijgen.

En nu ken ik het dus ook, ruim 20 jaar na de introductie in de Nederlandse taal. Tot voor kort stond ik bij de kassa en als ik niet bij de balkjes kon, wees ik ernaar en vroeg de persoon voor mij om er zo eentje door te geven. Dat werd ook altijd begrepen, zeker als ik er een wijsgebaar bij maakte. Maar een woord is natuurlijk veel praktischer. Mits we allemaal weten wat er bedoeld wordt. Ik vraag me oprecht af of iemand begrijpt wat ik bedoel met ‘Kunt u mij het beurtbalkje even aangeven?” Tenzij het natuurlijk een geslaagde van een inburgeringscursus is …

Het zeswoordenverhaal: Lijnen

Lijnenspel station Amersfoort

Dagelijks wachten plaatst zaken in perspectief

 

Op de site van Doldriest staat de schrijfuitdaging ‘Verhaal in zes woorden met beeld’.

“Schrijf een verhaal in slechts zes woorden. Laat je inspireren door een foto of afbeelding en schrijf daar je verhaal bij. Of bedenk eerst zes woorden en maak/zoek dan een foto.”

Het thema van deze keer is lijnen. Ik moest hierbij meteen denken aan een foto die ik eind december maakte op station Amersfoort. Op dit station heb ik heel wat uren wachtend door gebracht. Het is helemaal niet verkeerd om die uren observerend door te brengen. Dan gaan je dingen opvallen, zelfs op een grauwe dag als die dag.

Het zeswoordenverhaal: Humor

De verwarde cavia

Soms is absurd zo ontzettend herkenbaar

Op de site van Doldriest staat de schrijfuitdaging ‘Verhaal in zes woorden met beeld’.

“Schrijf een verhaal in slechts zes woorden. Laat je inspireren door een foto of afbeelding en schrijf daar je verhaal bij. Of bedenk eerst zes woorden en maak/zoek dan een foto.”

Het thema van deze keer is Humor. Een thema dat het boek dat ik afgelopen dagen las, goed samenvat. De verwarde cavia van Paulien Cornelisse heeft – uiteraard – een cavia als hoofdpersoon die net als jij en ik moet werken voor haar geld. Ze doet dit op de afdeling communicatie van een doorsnee bedrijf. Het met veel vaart en humor beschreven wel en wee in de kantoortuin is ontzettend herkenbaar voor de kantoor(tuin)medewerkers onder ons. Geloof mij, ik kan het weten, ik breng er elke week vele uren door. En zit ook nog eens vlak bij de communicatieafdeling.