Elke Maand Een … | De IJssel als muze

Elke Maand Een: Straatgedicht
Soort gedicht: Grondgedicht
Dichter: Johanneke ter Stege
Plaats: Deventer

Het is zondag, begin maart. Deventer ligt aan de overkant van de IJssel. Een pontje vaart heen en weer om mensen over te zetten. Sinds kort weer, een paar dagen geleden stond het water nog te hoog. Ook wij wachten op het pontje naar Deventer, hoewel dat niet de bedoeling was vandaag. Een bom uit de Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten. We konden de geplande Marskramerpad-etappe van Deventer naar Beekbergen niet lopen en keren nu terug naar de Hanzestad die we een uur eerder verlieten.

Enigszins teleurgesteld, al andere plannen makend voor die dag, kijk ik naar de grond en vind onder mijn voeten een gedicht.

De IJssel

We hebben haar taille losgemaakt
ze mag weer vrijuit ademen
ze wentelt zich om en om in zichzelf
de breedste schepen kan ze dragen

We nestelen ons in het zand
van haar weids gemaakte oevers
we kietelen haar oppervlak
met pas gelakte nagels

Oh zij, reislustig tranendal dat
eeuwen voor ons heeft overleefd
is talloze malen bezien en bezongen
een jaar is voor haar
een vluchtige droom

Geen warme huid of schaterlach
zal haar ervan weerhouden
zich over je te buigen
om jou te zuigen in haar stroom

Johanneke ter Stege (Deventer Dichter)

Hoe toepasselijk is het onderwerp op deze plek. De rivier die voor me ligt wordt hier beschreven, welhaast bezongen. Het is een ‘zij’ met een indrukwekkende staat van dienst. Eeuwenlang stroomt ze hier al en zitten mensen aan haar oevers. En “kietelen” (ik kan me dit beeld zo voorstellen) “haar oppervlak met pas gelakte nagels”. Maar de IJssel heeft ook een ander gezicht en kan zich over diezelfde mensen buigen om ze “te zuigen in haar stroom”. Met het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ van Rijkswaterstaat (niet voor niets de aanbieder van het gedicht) krijgt nu ook de IJssel meer ruimte om buiten haar oevers te treden: “Ze mag weer vrijuit ademen”.

Het gedicht doet me denken aan het reisprogramma ‘Langs de Rijn’ dat begin 2020 werd uitgezonden. Martin Hendriksma en Huub Stapel reizen langs de Rijn vanaf de bron in Zwitserland tot aan de monding in de Noordzee. Onderweg spreken ze allerlei mensen over de rivier. Vaak blijkt dat omwonenden de machtige stroom als een persoon zien, als een femme fatale of juist als vader Rijn. Een (grotere) rivier is heel bepalend voor de economie, maar ook de cultuur in dat gebied. Een rivier brengt verhalen met zich mee.

En inspireert dichters. Dit gedicht van Johanneke ter Stege is niet het eerste gedicht over de IJssel in mijn straatgedichtenverzameling. Eerder al kwam ik in een andere stad aan de IJssel, Zutphen, het gedicht ‘IJsselbrug in de ochtend’ tegen van H.C. ten Berge. Het beschrijft hoe de natuur ontwaakt langs en op de IJssel. Ook in Hattem verwijzen vier dichtregels van Ida Gerhardt op een oud pand naar die rivier. In het bijzonder naar de luchten in het voorjaar, zoals de schilder Jan Voerman ze schilderde.

Ida Gerhardt in Hattem en H.C. ten Berge in Zutphen (helaas niet goed te lezen door de steiger)

Er zullen ongetwijfeld meer IJssel-gedichten zijn, al dan niet in de openbare ruimte te zien. Ik ben blij met mijn meest recente aanwinst. Johanneke ter Stege zet de IJssel beeldend neer in mooie zinnen. Ik ben ervan overtuigd dat haar woorden menig pont-passagier even doet stilstaan. Om vervolgens op die pont met hele andere ogen naar dat water te kijken. Zo’n klein bootje op zo’n machtige stroom.

Net als vorig jaar is de Elke Maand Een …- uitdaging in 2020 een combinatie van eerdere uitdagingen. Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Ook dit jaar komen alle eerdere categorieën aan bod. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

Elke Maand Een … | Toon Tellegen in Hattem

Elke Maand Een: Straatgedicht
Soort gedicht: Muurgedicht
Dichter: Toon Tellegen
Plaats: Hattem

Een paar jaar geleden liep ik door het Gelderse Hanzestadje Hattem. Mooi gelegen op de grens tussen IJssel en Veluwe is het de ideale uitvalsbasis voor een wandeltocht of mountainbikeroute door de al enigszins heuvelende bossen in de omgeving. Tot mijn verrassing trof ik op een oud pand vlakbij de molen een straatgedicht aan.

Zal ik weggaan?

Zal ik weggaan?
Zal ik verdrietig worden en weggaan?
Zal ik het leven eindelijk eens onbelangrijk vinden, mijn schouders ophalen
en weggaan?
Zal ik de wereld neerzetten (of aan iemand anders geven), denken: zo is het genoeg
en weggaan?
Zal ik een deur zoeken,
en als er geen deur is: zal ik een deur maken, hem voorzichtig opendoen
en weggaan- met kleine zachtmoedige passen?
Of zal ik blijven?

Zal ik blijven?

Toon Tellegen

Toon Tellegen raakte me met zijn elf regels. De ik-persoon staat voor een keuze. ‘Zal ik weggaan?’ vraagt hij zich af. Hij denkt erover het leven voor een keertje onbelangrijk te vinden, de wereld neer te zetten (of aan iemand anders te geven) en een deur te zoeken. En, bedenkt de ik-persoon, als er geen deur is, zal ik hem maken. En dan zachtjes weggaan, ongemerkt. Of blijft hij toch hier? Heeft hij een keuze?

Ik vraag me af wat de ik-persoon achter zich wil laten. Zijn werk? Zijn leven zoals hij dat nu leeft? Of misschien wel het leven zelf? Het gedicht is op verschillende manieren te interpreteren. Elke lezer zal er weer zijn eigen betekenis uit halen. Ik lees er twijfel in, kalmte en hoop. En mooie bewoordingen. Het is herkenbaar voor velen: wie wil nu niet de wereld die je op je schouders torst even neerzetten of misschien wel aan iemand anders geven?

Dit gedicht komt uit de bundel Alleen liefde (2002). Ik kende Toon Tellegen eigenlijk alleen van zijn romans en kinderboeken, maar hij heeft ook ruim 30 dichtbundels op zijn naam staan. Hoog tijd om er eens eentje in huis te halen.

Net als vorig jaar is de Elke Maand Een …- uitdaging in 2020 een combinatie van eerdere uitdagingen. Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Ook dit jaar komen alle eerdere categorieën aan bod. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

 

Dichten kun je leren

De plaatselijke boekhandelaar schonk de deelnemers het poëzieweekgeschenk

Op palindroomdag sla ik aan het dichten. Samen met zeven andere dichters in spe produceer ik op een regenachtige zondagmiddag het ene na het andere gedicht. Ik wist niet dat ik het in me had.

Ik bevind me in een historisch stadje in het midden van het land. In het kader van de poëzieweek organiseert een vriendin/dichter een poëzieworkshop. Door weer en wind komen verwaaide en verregende deelnemers aan. Het kopje thee wordt dankbaar geaccepteerd als ze aan de lange tafel neerploffen.

Schriften en pennen worden verdeeld, versnaperingen ook. We zijn er klaar voor en stellen ons voor via een naamgedicht. Hoewel niemand van ons Wilhelmus heet, gaat het ons goed af. Enkele woorden, hele verhalen: de variatie is groot.

Door naar de Middeleeuwen. Het vaste rijmschema van het rondeel valt me zwaar. Het voelt als een sinterklaasgedicht in het kwadraat. Ik vind: serieuze poëzie heeft serieuze rijm nodig. Denken en schenken is off limits. Gelukkig ben ik niet de enige met problemen. Menig rondeel ontstaat onder veel gezucht en gesteun.

Het kreeftgedicht dan? Van voor naar achteren en van achteren naar voren moet er een logisch en goed (of mooi of grappig) gedicht uitkomen. De deelnemers verrassen elkaar met de korte rake zinnen. Heeft de datum van vandaag voor inspiratie gezorgd?

We eindigen met een voordracht, zoals het de echte dichter betaamt. Staand lezen de dichters hun eindproducten voor. Soms kort en grappig, soms indrukwekkend mooi. Mijn buurman kiest voor een modern sonnet, “omdat het niet rijmt”. Precies diezelfde gedachte ligt ten grondslag aan mijn gedicht. Ik wilde schrijven over wandelen, maar uit mijn pen vloeide iets heel anders. Warmgedraaid door de vele vormen en oefeningen schreef ik over ‘de ochtend erna’.

De ochtend erna

Op mooie zomeravonden
Gingen we op in onze omgeving
Werden we bomen, gras en fluitekruid
Onzichtbaar voor toevallige voorbijgangers

We liepen naar de verte
En praatten met elkaar
Over het leven en daarna
De stilte was ver weg

Beloof je het? vroeg je
Natuurlijk, zei ik toen
Ik hou me aan mijn woord

Het is een ijzige ochtend
Die avond staat in mijn geheugen gegrift
Het gezegde is voor altijd stilte

Elke Maand Een … | Naar Terschelling

Elke Maand Een: Straatgedicht
Soort gedicht: Raamgedicht
Dichter: Gerda Posthumus
Plaats: Harlingen

Vrienden van ons wonen op Terschelling. Als we erheen gaan, gaan we een weekendje. Zo’n weekend voelt als een mini-vakantie, die begint op het moment dat we uit de auto stappen op het grote parkeerterrein aan het Skieppedykje. In 10 minuten lopen we naar de veerterminal, waar de boten naar Vlieland en Terschelling vertrekken. Onderweg zien we De Friesland al liggen, geduldig wachtend op zijn volgende vracht passagiers.

In de terminal is de aanblik iedere keer anders. In de zomervakantie staan er jonge gasten van amper 16 met volgeladen strandkarren uitgelaten met elkaar te praten. De slaapzakken, matjes, weekendtassen, een grote radio en uiteraard blikjes bier doen een eerste vakantie zonder ouders vermoeden.

Naast hen gezinnen met kinderen. Een meisje van een jaar of 10 vraagt: “Papa, gaan we dan ook zeehonden kijken?” Haar broertje slaat zijn armen over elkaar: “Ik wil naar het Wrakkenmuseum!” De vader knikt wat, mompelt een vaag “hmhm”, maar blijft op zijn telefoon kijken. De moeder maant haar gezin om in de rij te gaan staan, de tickets kunnen elk moment gescand worden.

Buiten de vakanties om zijn de bankjes bij de hoge ramen bezet door oudere echtparen in degelijke wandelschoenen. Een vrouw met een kort grijs kapsel haalt uit haar rode ANWB-rugzak een zakje met zelfgesmeerde boterhammen. Haar man pakt ze gretig aan. Het was een lange autorit van Rijswijk naar Harlingen. Naast het bankje staan twee dezelfde koffers op wieltjes.

Wij gaan ook vaak buiten de schoolvakanties. De grote mensenmassa’s zijn dan verdwenen. De rust is neergedaald over het eiland. Er is plek zat op de veerboten. Als de boot toetert en wegvaart kun je in alle rust je cappuccino met appeltaart halen. Door de ramen zie je Harlingen kleiner worden, de Waddenzee strekt zich voor je uit, aan de horizon een enkele zeilboot. Het vaste land ligt achter ons, het gewone leven met het vaste stramien lijkt ver weg.

Deze maand gingen we ook. Toen we de terminal in liepen, vielen de woorden op één van de hoge ramen me meteen op . Die woorden stonden er vorige keer nog niet. Ik ging op het bankje zitten en las het gedicht ‘Eilandverlangen’ van Gerda Posthumus.

Eilandverlangen

En het eiland, je eigen
zo eigen plek waarnaar
je dromend verlangt,
niet alleen

in de zomer maar juist
in de lente als alles
nog rust en haast
eenzaamheid denkt,

ruist de zee in de bomen
en golft het bos
in haar ritme door
brekend op stilte.

En het eiland, je eigen
weerkaatsing beweegt
in haar heen
en weer
terug.

Gerda Posthumus

In het ritme van het gedicht hoor ik de zee en de golven. Door de woorden zie ik letterlijk de Waddenzee, waardoor tekst en beeld zich met elkaar vermengen. Maar ook wij, de gedichtlezers, de passagiers, zien onszelf in het gedicht. Letterlijk door onze weerkaatsing en iets minder letterlijk in het verlangen naar het eiland dat Gerda Posthumus beschrijft. Iets dat veel reizigers – die in die terminal zitten te wachten – wel zullen kennen. Wie eens op Vlieland of Terschelling is geweest, keert vaak nog eens terug.

Gerda Posthumus is sinds 2013 Eilanddichter van Vlieland en heeft verschillende gedichten geschreven over dit eiland. Ze organiseert poëziewandelingen op Vlieland, waaronder de Slauerhoff-tour. Benieuwd naar haar gedichten? Er zijn drie dichtbundels van haar hand verschenen.

2019 is een lustrumjaar voor Elke Maand Een… Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Dit jaar laat ik alle eerdere categorieën aan bod komen. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

Elke Maand Een … | Stiekeme gedachte op de muur

Elke Maand Een: Straatgedicht
Soort gedicht: Muurgedicht
Waar: Tilburg
Dichter: Esther Porcelijn

Toen ik het gedicht zag, moest ik denken aan kruissteekjes, aan borduren, aan merklappen boven wiegjes. Het gaf een wonderlijke sfeer aan die stenen muur. Zacht, nauwkeurig en ambachtelijk. Een tweede blik deed me twijfelen. Was het logisch dat de letters op de muur waren aangebracht met keurige kruissteekjes? Natuurlijk niet, besloot ik in de volgende seconde en ik herkende de mozaïeksteentjes. Het gedicht had ik toen nog niet gelezen.

Vijf regels telt het slechts, het gedicht dat voormalig stadsdichter Esther Porcelijn speciaal schreef voor deze plek. De omwonenden hadden de gemeente gevraagd om meer verfraaiing van het straatbeeld. Ze kregen dit korte gedicht, dat makkelijk in het voorbijlopen te lezen is. “Het is”, aldus de dichter, “een stiekeme gedachte van iemand.”

Ik herken je aan je haren
je schouders, hoe je loopt

is het goed als ik in jou verdwaal
wil jij dan in mijn verhaal?
daar kan ik je voor altijd bewaren

Esther Porcelijn

Die iemand kan heel goed een voorbijganger zijn die in de drukke winkelstraat, waar dit gedicht is aangebracht, een andere persoon herkent. Ik heb dat ook wel, dat ik aan iemands houding een persoon herken. Nog voordat het kapsel en de kleding het plaatje compleet maken. Soms is er gelegenheid tot aanspreken, soms ook niet. De derde regel heb ik echter nog nooit hardop tegen iemand uitgesproken. Wat zou er dan gebeuren?

Het is natuurlijk geen hardop uitgesproken vraag (toch?), maar slechts een mijmering, een ‘stiekeme gedachte’. Van een voorbijganger over een voorbijganger. Hoe kun je een beeld van iemand, een herinnering, vasthouden? Hoe maak je een persoon tot jouw verhaal, onderdeel van je leven?

De omwonenden van de Langestraat hebben gekregen waar ze om vroegen. En meer. Niet alleen is de straat verfraaid met een mooi ontwerp, ze hebben ook stof tot nadenken erbij gekregen. En vergeet niet al die voorbijgangers die al lopend omhoog kijken, het gedicht lezen en dan blijven staan. Misschien vanwege de kruissteekjes die geen kruissteekjes zijn, misschien vanwege de stiekeme gedachte. Welke reacties zijn er af te lezen op hun gezichten? Over verfraaiing van het straatbeeld gesproken.

2019 is een lustrumjaar voor Elke Maand Een… Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Dit jaar laat ik alle eerdere categorieën aan bod komen. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

Elke Maand Een … | Leeg perron

Elke maand een: Straatgedicht
Soort gedicht: Muurgedicht
Waar: Utrecht
Dichter: Hanny Michaelis

Begin 2018 kondigde ik op deze blog aan, dat ik elke maand een ander straatgedicht in het zonnetje zou zetten. Vele reacties volgden. Stien van Stiensbuitenblog tipte het gedicht in de stationshal van Utrecht CS. Een plek waar ik, tot een paar jaar geleden, dagelijks kwam. Sinds ik in een ander deel van het land werk, kom ik er sporadisch. En nooit met veel tijd om op zoek te gaan naar gedichten. Deze maand was het eindelijk zover en wandelde ik op mijn gemakje door de Utrechtse stationshal. Ik zocht en vond een indringend gedicht.

Aan de Jaarbeurszijde van de hal, bij de gele borden met vertrektijden hangt al ruim twee jaar het gedicht van Hanny Michaelis. ProRail en de NS schonken het tijdens de opening van het nieuwe stationsgebouw aan de reizigers, die hier elke dag in groten getale aan voorbij trekken. Gezien de vele foto’s die ik op sociale media vind van dit gedicht, worden de dichtregels zeker gelezen.

Nacht: veilige overkapping
waar de droomtrein te wachten staat
die me naar jou terugbrengt
door een tunnel van slaap

Samen gaan we het pad
naar de zee, blauw
en warm onder de zon
van een voorbije zomer

Maar altijd rijdt de trein
terug naar het lege perron
van een dag zonder jou

Hanny Michaelis

Uit: Water uit de rots (1957)

De link met het station is duidelijk, maar de trein en het perron zijn niet wat ze lijken. De trein is een droom die de hoofdpersoon weer terugbrengt naar zonniger tijden. Naar herinneringen, lang vervlogen. Het is geen enkele reis en elke keer rijdt de trein weer terug naar het lege perron van het heden. Waar de persoon die gemist wordt, niet meer is.

Droevige regels die, als je meer weet over de dichteres, al snel betekenis krijgen. Hanny Michaelis (1922 – 2007) was Joods en verliest tijdens de Tweede Wereldoorlog haar ouders, vermoord in Sobibor. Door onder te duiken overleeft Hanny de oorlog. Vanaf 1949 verschijnen er zes dichtbundels van haar hand. Ook schrijft ze proza en vertaalt.

In haar gedichten vallen gevoelens en de fysieke omgeving vaak samen, zoals in het gedicht op Utrecht CS. Het moet de peinzende reiziger aanspreken, die even stilstaat bij de gele borden. Waar gaat zijn trein heen? Letterlijk, maar zeker ook figuurlijk. Het gedicht is bij mij in ieder geval blijven hangen. Wederom een prachtig stationsgedicht.

2019 is een lustrumjaar voor Elke Maand Een… Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Dit jaar laat ik alle eerdere categorieën aan bod komen. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

Elke Maand Een … | Achterberg in de Passage

Elke maand een: Straatgedicht
Soort gedicht:
Muurgedicht
Waar: Den Haag
Dichter: Gerrit Achterberg

Een perfecte cirkel. Boven mijn hoofd. Uitgelicht door een aarzelend februari-zonnetje.

Om me heen slenteren mensen. Hun blikken gaan naar de aanlokkelijke etalages. Weinigen kijken naar beneden. Naar de patronen in het graniet. Weinigen kijken omhoog. Naar de bijzondere bogen, de verticale tuinen, de perfecte cirkel van licht.

En Achterberg? Zien zij zijn woorden staan?

Ik zie ze. Ik wist dat ze hier ergens moesten zijn. Ik vind ze aan de rotonde. De entourage had ik niet verwacht. De zonnige omstandigheden niet. Het maakt dat die 14 regels nu onlosmakelijk verbonden zijn met dat gevoel van verwondering.

De weerspiegeling achter de woorden zal me nog regelmatig terugbrengen naar die fijne februari-dag in Den Haag. Stad van Couperus, van Bordewijk. Van romans die ik met veel plezier heb gelezen. Ik liep door het eerste en oudste winkelcentrum van Nederland. Met een doel. Maar kreeg meer dan dat.

In 1953 schreef Gerrit Achterberg:

In de passage krijgt de klank een hoog
weergalmen en omlaag een fluistering
tussen de voeten over het graniet

66 jaar later zijn deze regels nog net zo waar.

Ga naar die hartkamer. Laat de omgeving op je inwerken. Kijk ook eens omhoog en naar beneden. Lees het gedicht met de beroemde regel “Den Haag, je tikt er tegen en het zingt.”

Om dan door één van de drie uitgangen weer op te gaan in de oude binnenstad van Den Haag.

PASSAGE

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt.

Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden, in ene teug.

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt.
In de passage krijgt de klank een hoog
weergalmen en omlaag een fluistering
tussen de voeten over het graniet;
rode hartkamer die in elleboog
met drie uitmondingen de stad geniet.

Gerrit Achterberg

Uit: Ode aan den Haag, 1953

2019 is een lustrumjaar voor Elke Maand Een… Afgelopen jaren schreef ik elke maand over respectievelijk een museum (2015), een route (2016), een foto (2017) en een straatgedicht (2018). Dit jaar laat ik alle eerdere categorieën aan bod komen. Een overzicht van de artikelen vind je hier.

 

Elke maand een straatgedicht | Terugblik

Straatpoëzie in (met de klok mee) Hilversum, Bussum, Amsterdam, Schalkwijk en Zutphen

De uitdaging
Aan het begin van dit jaar startte ik met alweer de vierde ‘Elke Maand Een’-uitdaging. Dit keer stelde ik mezelf als doel om elke maand iets te schrijven over een straatgedicht. Enige voorwaarde was wel dat ik het straatgedicht zelf tegen was gekomen en op de foto had gezet. Het bleek geen moeilijke opgave. Ik heb de uitdaging dan ook gehaald om elke maand een blogpost over een straatgedicht te plaatsen. De 12 artikelen vind je hier.

Ik wendde mezelf aan om – overal waar ik kwam – om me heen te kijken. Muren, stoeptegels, ramen, alles kon een straatgedicht bevatten. Het deed me op een andere manier naar mijn omgeving kijken. En vaak leverde het wat op. Soms één gedicht, soms veel meer. Af en toe raadpleegde ik de site straatpoezie.nl (een (onvolledig) overzicht van alle straatpoëzie in Nederland en België) als ik een plaats bezocht. Het is tenslotte jammer als je, in een plaats aan de andere kant van het land, net een gedicht mist dat een straat verderop hangt.

De gedichten
Het leverde een aanzienlijke voorraad aan gedichten op. Over de mooiste en meest bijzondere maakte ik een blogpost. Een literaire wandeling door Zutphen besloot ik als geheel te beschrijven. Teveel mooie en bijzondere gedichten. Een aantal van de gedichten die ik afgelopen jaar verzamelde, stonden nog niet op het straatpoëzie-overzicht. Toevoegen is eenvoudig en het overzicht is nu een stukje vollediger.

Straatpoëzie in Zutphen

De gedichten waren erg verschillend. Er waren er die al lang voordat ze in het straatbeeld verschenen, geschreven waren. Zo ben ik meerdere malen Ida Gerhardt tegengekomen, o.a. in Zutphen. Maar ook Victor E. van Vriesland (Amsterdam) en Wotkoce Okisce (Leiden) waren al overleden toen hun poëzie straatpoëzie werd.

Andere gedichten zijn specifiek geschreven voor de plek waar ze hangen. Dit soort gedichten ben ik het meeste tegengekomen. Ze verhalen over (de historie van) het gebied of de (voormalige) functie van het gebouw. Zo kan de toevallige voorbijganger lezen over het voormalige klooster in Ten Boer waar nu een winkelcentrum staat, over de geschiedenis van de begraafplaats in Hilversum en de oorspronkelijke functie van de Bordenhal in Maastricht. In Bussum, Hilversum, Schalkwijk en Zutphen (en veel meer plekken waar ik nog niet over heb geschreven) lieten de stadsdichters van zich horen. Een of meerdere gedichten van hun hand sieren de straten op.

Straatgedicht in Ten Boer

De balans opmakend
Met een Drents gedicht in de maand december, heb ik 9 van de 12 provincies gehad. Alleen Flevoland, Brabant en Zeeland ontbreken nog in mijn verzameling. 7 dichters kende ik toen ik hun straatgedicht zag. Dit jaar heeft me dus veel nieuwe namen en gedichten opgeleverd. Er zaten een paar mooie gedichten tussen. Wat de meeste indruk maakte, was het gedicht van Judith Nieken in Leeuwarden. Misschien ook omdat het zo herkenbaar is. Het zijn zinnen die ik zelf geschreven had willen hebben.

Mijn verzameling telt op dit moment 83 gedichten en is nog altijd groeiende. Deze uitdaging leverde mij zoveel plezier op, dat ik ook volgend jaar gewoon doorga met het verzamelen van en schrijven over straatgedichten. Poëzie is overal om ons heen. Het is zonde is om daar niet wat meer aandacht aan te besteden.

Straatpoëzie in (met de klok mee) Zuidlaren, Leiden, Maastricht, Hulshorst, Zwolle en Leeuwarden

 

Luchtkasteeltjes

Soort gedicht: Bord op palen-gedicht
Waar: Zuidlaren
Dichter: Wija Oortwijn

Onder de oude treurboom zie ik de eerste. De neerhangende takken vormen een omlijsting van het rechthoekige bord dat tussen twee palen hangt. De zwarte letters op de witte achtergrond vormen een gedicht in een taal van deze streek. Drents of wellicht Gronings. Hardop lezend begrijp ik dat het gaat over deze plaats en de functie die het ooit had. Ik loop op historische grond.

Na dit gedicht volgt al snel een tweede. Twee palen, een rechthoekig bord, dezelfde opmaak. Een andere dichter, een andere taal. Ook deze zet ik op de foto, om later op mijn gemak nog eens terug te lezen. De derde volgt al snel, de vierde. Dit kan niet anders dan een poëzieroute zijn. Hoeveel meer komen er nog?

Mijn vrienden lopen steeds een beetje sneller verder, terwijl ik de gedichten op de foto zet. Ze weten van mijn straatgedichten-tic, maar we hebben ook een etappe te wandelen. Van het pad der paden welteverstaan. Als ik het vijfde gedicht spot met de intrigerende naam Luchtkasteeltjes, heb ik geen tijd om de regels in me op te nemen. Ik maak snel een foto en trek een sprintje om weer gelijk op te lopen met mijn medewandelaars.

Een paar kilometer geleden zijn we deze etappe van het Pieterpad gestart in het centrum van Zuidlaren. We hebben net Berend Botje met zijn scheepje achter ons gelaten op een rotonde, als we het terrein van Dennenoord opwandelen. In de omgeving een bekende naam. Van heinde en verre kent men het ‘gekkenhuis’. In 1895 werd hier het psychiatrisch ziekenhuis van de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders in Nederland geopend. Het terrein had veel groen en eigen voorzieningen. Het was een klein dorp op zich.

Tegenwoordig is het complex van GGZ-instelling Lentis, dat nog steeds een deel in gebruik heeft. De oude landschapstuin is er nog altijd. Over het mooie terrein kun je sinds kort een Kwiek-route lopen (waar je – juist – kwiek van kunt worden) en dus ook een poëzieroute.

Volgens Google kent de poëzieroute 17 gedichten, verspreid over het terrein. De winnaars van de Jan Boer Poëzieprijs (georganiseerd door Lentis) krijgen een plekje in de route. Het laatste gedicht dat ik op de foto zette, is van zo’n winnaar. In 2011 won Wija Oortwijn met haar gedicht Luchtkasteeltjes deze prijs. De prijs is in het leven geroepen om “aandacht te vragen voor de vaak uitzonderlijk creatieve talenten van (ex) cliënten van de geestelijke gezondheidszorg” en wordt eens in de drie jaar toegekend. De poëzieprijs is vernoemd naar de Groninger dichter Jan Boer (1899 – 1983).

Luchtkasteeltjes

In haar eentje, spelend op ’t strand,
bouwt ze luchtkasteeltjes,
schepje in de hand.

Met veels te grote slippers,
haren in de war.
Blik op oneindig,
ogen zo star…

Wie is zij? Klein meisje van vier?
Niemand die haar blijkbaar mist.
Wat doet ze eigenlijk hier?

Ik zie de golven komen,
wild rollend over haar heen.
Haar blik verzacht, ze lijkt te dromen en roept:
‘Nu ben ik eindelijk niet meer alleen.’

Nog een laatste blik,
voordat ze verdwijnt
in de armen
van de tomeloze zee.
Nog even zwaait ze terug
en neemt al haar geheimen met zich mee…

In mijn eentje, lopend op ’t strand,
tuur ik naar de einder
en neem
mijn schepje weer ter hand…

Wija Oortwijn

Het thema van 2011 was: ‘Ik zoek wat ik niet vinden kan’. Als ik Luchtkasteeltjes thuis nog eens rustig teruglees, blijkt dit gedicht uitstekend bij dit thema te passen. De ik-persoon ziet letterlijk haar verleden voor zich. Althans, de laatste zin “en neem mijn schepje weer ter hand” lijkt dit te suggereren. Ze ziet een klein meisje (zijzelf?) op het strand dat luchtkasteeltjes bouwt. Een luchtkasteel is een droombeeld of een irreëel toekomstbeeld. Waar denkt het meisje aan, daar op het strand? Ze wordt er in ieder geval niet gelukkig door. Haar “blik op oneindig, ogen zo star” en niemand die haar blijkbaar mist.

De ik-persoon vraagt zich af wie zij eigenlijk is, dat kleine meisje. Welke geheimen ze heeft. Ze krijgt wellicht nooit een antwoord op haar vragen. Dat kleine meisje is verdwenen “in de armen van de tomeloze zee”. Voor het meisje was het een zegen: “Nu ben ik eindelijk niet meer alleen”. Maar wat deed het met de volwassen ik-persoon? Ze tuurt naar de einder en neemt haar schepje weer ter hand. Wellicht om nieuwe luchtkasteeltjes te bouwen?

Als ik het gedicht een paar keer lees, dringt de lading pas echt tot me door. Een droevig gedicht dat aanzet tot nadenken. En op het terrein van Dennenoord zijn  nog minstens twaalf andere gedichten die ik niet gezien heb tijdens onze wandeling. Die komen op mijn Nog Te Bezoeken Straatgedichten-lijst!

Ben jij ook benieuwd naar de gedichten die op het terrein van Dennenoord staan? Bij de receptie van het hoofdgebouw kun je een gratis routebeschrijving krijgen van de poëzieroute.

Ik hou ervan, gedichten op onverwacht plekken. Poëzie, die soms letterlijk op straat ligt. Straatgedichten heten ze, ‘streetpoetry’ in het Engels. Instagram staat er vol mee. Ikzelf heb inmiddels ook een kleine fotoverzameling aangelegd. Kijk maar eens om je heen als je door een plaats of zelfs over een station loopt. Het zijn er meer dan je denkt en hun aantal groeit gestaag. In 2018 staat op deze blog elke maand een straatgedicht centraal (#EMES2018). De straatgedichten vind je hier. Welk straatgedicht is jou opgevallen?

Het gedicht dat indruk maakte

Het is Najaarspoezieweek op de blog van Sandra leest. Eerder deze week schreef ik over de poëzie die gewoon op straat ligt. Als je wil, kun je in elke zichzelf respecterende plaats in Nederland poëzie lezen op muren, ramen, banken, de straat of waar dan ook. Je komt af en toe de meest verrassende gedichten tegen. Naast straatpoëzie lees ik af en toe ook poëzie op papier (al dan niet analoog). Eén zo’n gedicht wil ik jullie niet onthouden.

Lang geleden studeerde ik Nederlands en abonneerde ik me – op advies van een docent – op het digitale poëziemagazine Meander. E-mail begon net in zwang te raken en die digitale magazines (zoals o.a. ook Neder-L) werden periodiek in je mailbox bezorgd. Op mijn studentenkamer had ik toen nog geen internet, dus las ik mijn mail in één van de computerzaaltjes van de universiteit.

Daar, in zo’n saai zaaltje met grijze vloerbedekking, witte muren en als je geluk had nog een paar ramen, kwam ik op een dag in Meander een gedicht tegen dat veel indruk maakte. Zoveel indruk, dat ik het overtypte en printte. Jarenlang heeft het A4-tje in mijn studentenkamer gehangen, te midden van andere teksten.

20 jaar later en vele verhuizingen verder overlijdt de vader van een vriendin. Zij schrijft zelf gedichten en om de een of andere reden moet ik denken aan dat gedicht van toen. Als hart onder de riem op de condoleancekaart. Maar wat was de tekst precies? Het A4-tje had de verhuizingen niet overleefd. De mail, het mailadres en het mailprogramma van toen zijn al lang verleden tijd. Maar het geheugen van internet is indrukwekkend. Zonder de naam van de dichter te weten, vind ik het terug.

Het gedicht heeft niet aan kracht ingeboet. Oordeel zelf:

Weggaan

weggaan maakt niet veel geluid
niet meer dan herfstbladeren
die opstuiven in de wind
de boom blijft verweesd achter
nu zijn stem op het tuinpad ligt
en geluiden dempt
haast onhoorbaar
je voetstappen
die zich verwijderen
alleen wie achterblijft
weet hoe afscheid klinkt

Fatima Ualgasi

Van Fatima Ualgasi (1965) is, voor zover ik kan vinden, geen dichtbundel verschenen. Het gedicht Weggaan werd tussen 1995 en 1999 gepubliceerd in Meander. Ik ben niet de enige die onder de indruk is van dit gedicht. Een korte zoektocht op internet leert mij dat in 1999 de lezers van Meander dit gedicht kozen tot ‘Meanders Gedicht van het Jaar’. Toen de geestelijk vader van Meander, Rob de Vos, in april dit jaar overleed, werd zijn dood op Meander ook herdacht met dit gedicht. Op deze site vind je meer gedichten van Fatima Ualgasi.

Benieuwd wat de andere Najaarspoëzieweek-bloggers schrijven over poëzie? Kijk eens op de blogs van:

Sandra leest
Jannie Tr
Stien
Lalagè Leest
Antoinette