Rekenen op de trein

Rekenen op de trein

Het is vrijdag, vroeg in de ochtend en voor mij de laatste werkdag van de week. Ik heb net de afstand tussen huis en station per fiets overbrugd en sjok nu verkleumd de trappen op naar mijn perron. Mijn trein staat er al. De ene helft is opvallend geel, terwijl de andere helft overdekt is met een zwarte laag vuil. Ik begin me net af te vragen hoe wasstraten voor treinen eigenlijk werken, als ik het zie staan.

Op de zijkant van de eersteklas coupé – daar waar de wasstraat de trein niet heeft bereikt – heeft iemand iets geschreven. Niks geen flauwe ‘ik ben vies’ – teksten, maar een rekensom zoals je ze vroeger op school leerde.  De getallen staan netjes onder elkaar en de uitkomst is een cijfer met een getal achter de komma.

Als ik nog eens goed kijk, vraag ik me toch af wat hier uitgerekend is. De optelling klopt niet, maar het is ook geen aftreksom. Misschien een vermenigvuldiging? De twee cijfers rechts vermenigvuldigen, de twee cijfers links … ik herinner me een rekenles op de basisschool lang geleden.

Als ik ’s avonds weer in de trein terug naar huis zit, komt het me steeds vreemder voor. Wie gebruikt er nu een trein om iets uit te rekenen? Toegegeven, als je geen papier bij de hand hebt, komt zo’n vieze trein goed van pas. Maar veruit de meeste mensen op de perrons hebben een telefoon binnen handbereik (lees: in hun hand). Hier zit standaard een rekenmachine op. In mijn jarenlange treinende bestaan ben ik nog niet eerder op de trein schrijvende – laat staan rekenende – mensen tegengekomen.

Misschien was het wel het treinpersoneel dat de treinen naar het rangeerterrein brengt. Twee mannen in felgele jassen stappen tegelijkertijd uit hun trein en krijgen een discussie over het gemiddelde aantal treinstellen dat ze per dag op een rangeerterrein neerzetten. Wellicht dat er meerdere collega’s bij komen staan, nieuwsgierig naar de getallen die er uit komen. Daar kunnen ze op de eerstvolgende verjaardag leuk mee pronken. “Laat maar zien Piet, wat daar uitkomt! Nee, op dat kleine papiertje zien we het natuurlijk niet.”

Of het waren een paar studenten die ’s avonds laat, redelijk dronken, de laatste trein nemen. In luide bewoordingen bespreken ze het aantal biertjes dat ze de afgelopen uren met z’n drieën achterover hebben geslagen. Competitief als ze zijn, bieden ze tegen elkaar op. De meest heldere van het drietal kan zijn telefoon weer eens niet vinden en gebruikt het eerste wat voor handen is om de hoeveelheid goudgele rakkers uit te rekenen. “Dat kan beter!” concluderen ze als ze de schamele 33,6 stuks zien.

Of misschien was het iets totaal anders, een zaak van leven op dood. Ik zal het wel nooit weten. De som blijft staan totdat de trein weer in de wasstraat schuift en de getallen met water en zeep in het afvoerputje verdwijnen. Als herinnering rest slechts een hele zwarte vinger.

In januari 2017 ging ik de uitdaging aan om elke maand een foto te plaatsen met het verhaal erachter. Het onderwerp van de foto kan van alles zijn. Het is maar net wat ik tegenkom in mijn dagelijkse leven. De foto’s met verhaal tot nu toe kun je hier terugvinden. Lijkt het je ook leuk om je foto’s een verhaal mee te geven? Voel je vrij om mee te doen met deze uitdaging. Ik ben heel benieuwd naar jouw gekke, mooie, grappige, abstracte, inspirerende of bijzondere foto (#EMEF).

Treinkaartjes van de Kruidvat

AH to go koffiebon

Half staand, half leunend op de ‘leunbalk’ die tegen het wachthokje aan is bevestigd, kijkt hij in de verte. Ik volg zijn blik. Een donker spoor. Geen koplampen die opdoemen in de duisternis. Dan heft hij zijn hoofd. Door de luidspreker wordt dezelfde boodschap omgeroepen die de afgelopen twee uur regelmatig over het perron schalde: “In verband met een defecte trein is er geen treinverkeer mogelijk. Op dit moment is het nog niet bekend hoelang dit gaat duren.”

Toen ik een paar uur daarvoor uit de bus stapte, zag ik gelijk dat er wat mis was. Het anders zo rustige stationsplein stond vol met auto’s. Jonge mensen die uit school kwamen, stapten in bij hun vader, hun moeder, de vader van een vriend, van een vriendin. De borden boven het perron meldden een vertraging van 30 minuten. Het valt mee, dat ik nog optimistisch, met een blik op de gereed staande trein.

Als ik echter mensen uit diezelfde trein zie stappen, begin ik te twijfelen. Twee rokende meisjes temperen mijn optimisme. Een defecte trein een paar kilometer verderop en twee niet werkende wissels aan beide zijden van het station, is hun korte samenvatting. Hun taxi is net van huis vertrokken en is binnen 10 minuten hier. “Succes”, roepen ze me over hun schouder toe als zij zich ook richting stationsplein begeven.

Een korte zoektocht op 9292 om de reis eventueel per bus te doen, brengt geen goed nieuws. Ik zou pas de volgende dag aankomen. Een overnachting bij een bushalte ergens in de middle of nowhere lijkt me niet heel aantrekkelijk en dus installeer ik me maar op de leunbalk op het perron en wacht de berichtgeving af.

Naast me staat een oude man diep weggedoken in zijn jas. Zijn tijdelijke gesprekspartner is net vertrokken naar zijn familie met een “Ik wacht het thuis wel af, daar is het een stuk warmer”. Hij kijkt naar mij, duidelijk op zoek naar iemand om zijn leed mee te delen. Stapje voor stapje schuift hij dichterbij, zijn handen op de leunbalk.

“Waar moet u naartoe?” vraagt hij. Ik noem de stad, op 40 treinminuten van hier. Hij blijkt een stuk verder te moeten dan ik. “Utrecht”, zegt hij trots, “een mooie stad”. Ik beaam het, ken de stad, heb er jaren gewerkt. Als ik vraag hoe hij op dit station terechtgekomen is, volgt een warrig verhaal. Ik maak eruit op dat hij vanochtend vroeg vertrokken is naar Nijmegen en via Arnhem en nog een paar plaatsen waar hij de namen van vergeten is, hier uit gekomen is.

“Ik ben hier geboren, moet u weten, 87 jaar geleden”. In zijn blik, zie ik dat er heel wat is veranderd sindsdien. “Maar de taal ben ik niet verleerd”, zegt hij in het Fries, “het is alleen wat roestig geworden”. Hij blijkt al decennia in het midden van het land te wonen. Met treinkaartjes van de Kruidvat reist hij het hele land door. Of hij de steden ook daadwerkelijk bezoekt, kan ik uit zijn verhaal niet opmaken. Door de constante stroom van omroepberichten raakt hij elke keer de draad kwijt en pakt zijn verhaal daarna op een ander (voor hem misschien heel logisch) punt weer op.

Als er gratis koffie en thee wordt aangeboden, sloft de kleumende man richting AH-to-go (“Wat is dat? Ahatoegoo?” vroeg hij nog en of er ook zo’n dekseltje op de koffiebeker zit). Even later duikt hij weer op. Zonder koffie. Het bleek op te zijn, de Albert Heijn kon de grote toestroom treinreizigers niet aan. Uit zijn zak tovert hij wel twee tegoedbonnen tevoorschijn voor een gratis kop koffie of thee. “Ook één voor u. Voor de volgende vertraging.” Hij lacht zijn tanden bloot.

Even zie ik een jonge man tevoorschijn komen. Een glimp sierlijke hoffelijkheid van lang geleden. Toen de treinkaartjes nog niet van de Kruidvat waren. Toen zijn Fries nog niet roestig was. Toen treinreizen naar Utrecht ook zo lang duurden. Alleen zat je toen in de trein, op weg naar je bestemming. Als jonge man, met nog een heel leven voor je.

Niet instappen

Treinleven

‘Niet instappen’ staat er op het digitale bord waarop normaal gesproken de vertrektijd en bestemming van de betreffende trein te zien is. Op het spoor staat een trein, een veel langer exemplaar dan gebruikelijk voor deze tijd. Zeker in deze zomerperiode. Nog een kwartier voordat de trein vertrekt. Ik wacht, staande, na een blik op de perronbankjes.

Eigenlijk verschilt deze ochtend niet zo heel veel van andere ochtenden. De trein staat er al, het eindstation digitaal aangegeven op de zijkanten van de trein. Ook in de treincoupés staat de juiste bestemming op de schermpjes. Alleen dat bord boven het perron. Het houdt me tegen. Maar wat nou als …

Het treinstel rijdt langzaam naar achteren, krijgt geleidelijk vaart en al snel zijn de voorbijschietende gebouwen gereduceerd tot strepen. Grijze strepen worden groen, worden langzaamaan weer bomen, struiken. En dan stilstand. Treinen overal om me heen. Leeg, verlaten, in ruste. Ik hoor een klik. De deuren, bedenk ik me. Ik gris mijn tas mee, sprint naar het balkon en druk op de gele knop.

Niks, geen deur die open zoeft, geen geluid. Alleen in de verte een zachte bonk, een gestalte in een gele jas die in tegenovergestelde richting loopt. En dan stilte. Een lege trein, of eigenlijk, een trein die leeg hoort te zijn op een rangeerterrein in the middle of nowhere.

Meters trein voor mij alleen, besef ik. Een stiltecoupé die wel echt stil is. Eersteklasstoelen. In mijn tas genoeg brood en fruit om een dag comfortabel door te brengen. Op mijn e-reader voldoende boeken om het desnoods weken uit te houden. Niet eens zo verkeerd, deze situatie. Alleen mijn werk even berichten, dat het wat later wordt …

Hij kijkt me wat bevreemdend aan en drukt dan demonstratief op de knop. De deur gaat moeiteloos open. Zijn blik zegt “wat is het probleem?, stap in!”. Een conducteur, besef ik, op 10 meter afstand. Met nog net genoeg tegenwoordigheid van geest gebaar ik naar het bord boven zijn hoofd. ‘Niet instappen’, ik probeer de woorden zo duidelijk mogelijk uit te spreken. Zonder geluid. De man kijkt omhoog, lijkt de herkomst van mijn twijfel te begrijpen, trekt zijn wenkbrauwen op en maakt een wegwerpgebaar met zijn hand.

“Daar moet je niet op letten.” Dan draait hij zich om en loopt met grote stappen naar de voorkant van de trein. In zijn hand een grote beker koffie van de Kiosk. Voor een goed begin van weer een nieuwe dag op het spoor.

Rondje om de Starbucks

Afbeelding: cnn.com
Afbeelding: cnn.com

Op een van de drie parkeerplekken naast de Starbucks stopt een oud zwart autootje. Een jonge vrouw stapt uit en nog voordat ze haar sleutel in het slot heeft kunnen steken, staan er twee mannen naast haar. Ongeveer van gelijke lengte, kort geschoren kapsel. Een lichaamstaal waar gezag uit straalt en een zeker gemak. Ze spreken haar aan. Zij zet haar vriendelijkste glimlach op en gebaart naar de Amerikaanse koffieketen. De mannen knikken, blijven nog even staan, terwijl zij wegloopt, het pand binnengaat en aansluit in de rij.

Om zich heen kijkend lopen ze langzaam verder. Gestoken in de blauw-zwarte uniformen weten ze zich  herkend door de automobilisten die langsrijden, op zoek naar een plekje. Zoals de jonge blonde vrouw in de witte Mini. Ze parkeert op een van de Kiss & Ride plekken, zet haar motor af en speurt het stationsgebied af. Wachtend op haar passagier. De mannen lopen verder. Geen overtreding op dit moment.

Een grijze SUV komt aanrijden, parkeert in een zwierige beweging in een van de vrije parkeervakken voor de Mini. Twee gedrongen mannen van middelbare leeftijd stappen uit en lopen haastig weg. De parkeerwachters hebben ze niet gezien. In een paar passen zijn de geüniformeerde mannen bij de auto. De een heeft al zijn zwarte apparaat uit zijn riem gehaald en richt deze nu op het nummerbord.

“Zou ik er even bij mogen” vraagt een oudere dame mij, terwijl ze de bustijden probeert te lezen. Ik laat de parkeerwachters even voor wat ze zijn en doe een stap opzij. Uit haar gezichtsuitdrukking maak ik op dat de dame hetzelfde concludeert als ik, een paar minuten geleden. De zomerdienstregeling is ingegaan, de bussen gaan nog maar twee keer per uur. Ze zucht en gaat zitten op het bankje, waar de regendruppels vrolijk op glinsteren. Ik richt mijn blik weer op de parkeerwachters.

De man met het apparaat typt verwoed iets in, terwijl de ander om zich heen kijkt. Dan een schreeuw die de parkeerwachters doet opkijken. Ze blijven rustig staan tot de twee gedrongen mannen in snelwandelpas de SUV hebben bereikt. De waarschijnlijke auto-eigenaar houdt een mobieltje tegen zijn oor en lijkt nu twee gesprekken tegelijk te voeren. Grootse gebaren, stemverheffing.

De woorden blijven halverwege de straat hangen. Maar het is niet moeilijk om er invulling aan te geven. Naast mij zie ik de oudere dame ook gefascineerd toekijken. Een passerende bus onttrekt het tafereel even aan het oog. Het volgende moment zijn de mannen op weg naar de parkeerautomaat. De parkeerwachters lopen langzaam verder. Ze werpen nog een blik over hun schouder en zien dat de mannen bij de automaat staan. De een met de telefoon nog steeds aan zijn oor.

Ik zie de parkeerwachters nog net de hoek om gaan als mijn bus aan komt rijden. De mannen staan nog steeds bij de parkeerautomaat maar lijken geen aanstalten te maken om een kaartje te kopen. Ik sluit aan in de rij, stap de bus in en ga zitten. Even later trekt de bus op en rijden we het busstation af.

Langs de SUV die nog steeds op dezelfde plek staat. De parkeerautomaat is verlaten, de mannen zijn verdwenen. Langs de witte Mini waar nu twee mensen in zitten. Langs de Starbucks waar net een jonge vrouw de deur uitstapt, een kartonnen beker in haar hand. Bij haar auto wordt ze opgewacht door twee mannen. Een korte blik van herkenning, een groet, een glimlach. De vrouw steekt haar sleutel in het slot. De mannen lopen door, richting grijze SUV. Ze doen hun werk, maken hun rondjes. Niet om de kerk, maar om de Starbucks.

Staphorst-moment

Trein
Voor ons uit starend staan we op een rijtje voor het bushokje. De man in pak naast me heeft zijn leren aktetas tussen zijn benen op de grond gezet en herschikt zijn sjaal om zijn nek. De studente achter me heeft bijna haar mars op die ze net in de Kiosk op het perron heeft gekocht. Ze verplaatst haar gewicht van haar ene naar haar andere been, op de maat van de muziek uit haar oordopjes. De dame van middelbare leeftijd aan de andere kant van de halte hupt onbewust mee in het ritme. Zonder oordopjes zo te zien, ze heeft het gewoon koud. Miezerregen daalt langzaam neer op de stoeptegels en geeft dit provincieplaatsje een mistroostige uitstraling.

Velen van ons waren hier nog nooit geweest. Een enkeling had voor een overstap het perron betreden, maar de meesten kenden de plaats enkel omlijst door een treinraampje. De naam was niet meer dan een van de woorden die de conducteur elke dag, aan het begin en aan het einde, omriep. De eerste gedwongen kennismaking is niet bijzonder aangenaam. Het feit dat we op dit moment al op onze plaats van bestemming hadden kunnen zijn, als de trein gewoon had gereden, speelt zeker mee. We willen naar huis, niet op safari met een streekbus door alle dorpjes en buurtschappen in de omgeving.

De treinspringer liet ons echter geen keus. Door schade en schande wijs geworden, accepteerden wij al snel ons lot en sjokten achter de meute aan richting streekbus. De enige die naar onze bestemming ging. Eén keer in het half uur. Het is een proces waar je doorheen moet. De verontwaardiging en het verzet bij het omroepbericht van de conducteur maken nog in de trein plaats voor lijdzaamheid. Tegen de tijd dat we de bushalte bereiken, verkeren we al in een staat van acceptatie en overgave. Er valt toch niets aan te doen, het is nu zoeken naar de beste oplossing in deze situatie.

Als die beste oplossing daar eindelijk aan komt rijden, glijden wij soepeltjes, met hier en daar een elleboog, de bus in. Het past, de safari kan beginnen. Na drie dorpjes en twee buurtschappen haalt een hippe jongeman helemaal voorin zijn telefoon tevoorschijn. Hij buigt naar voren en maakt een mooie landschapsfoto van de klinkerweg die zich uitstrekt tussen de weilanden. Na een korte stilte klinkt een stem, die duidelijk niet uit dit deel van het land komt, door de bus. “Heb je het gezien? Cool hè?! Dwars door de weilanden. En weet je waar we net doorheen reden? Staphorst! Ik ben gewoon in Staphorst geweest!”.

Verbaasd besef ik dat het bekende treinvertraging-acceptatieproces nog een stap kent. De stap na acceptatie en overgave. Dat moment waarop ‘vertraging’ geen negatieve bijklank meer heeft, maar een positieve. Je ziet het niet vaak, maar af en toe weet een reiziger die stap te bereiken. En dat maakt ons – de overige treinreizigers –  vreselijk jaloers. Want al sinds het moment dat de zin ‘aanrijding met een persoon’ door de trein schalde, verlangden we er diep in ons hart allemaal naar: ons eigen Staphorst-moment.

Mens versus trein

wpid-20141116_162546.jpg
De doordringende geur van warmgelopen remmen stroomt de coupé binnen. Met een schok komen we tot volledige stilstand. Waar zijn we ergens? Een blik naar buiten levert weinig informatie op. Duisternis. “Dames en heren, zoals u gemerkt heeft staan we stil”. Dat heeft inderdaad een aantal passagiers gemerkt, getuige hun gezichtsuitdrukkingen na deze woorden. De conducteur gaat verder: “De trein voor ons heeft mogelijk wat geraakt. We gaan polshoogte nemen, dit kan even duren. We houden u op de hoogte.”

Vervelend natuurlijk. Vertraging. Maar voor hetgeen dat mogelijk geraakt is, is het nog vervelender. Het kan van alles zijn. Een tak, een dier, maar ook een mens. En dat is waar ik automatisch als eerste aan denk. ‘Aanrijding met een persoon’ is de officiële term die de NS gebruikt. Het komt af en toe voor, meestal op dezelfde trajecten. Zelf heb ik het ook eens meegemaakt, op zo’n traject. Als treinreiziger. Het duurde uren voordat we weer verder konden. Vervelend, maar nog vervelender voor de conducteurs en de machinist die naar buiten moesten om de boel in ogenschouw te nemen. Dan slaap je niet lekker ’s nachts. Gelukkig zat ik achter in de trein, toen. Het treinpersoneel, de politie, de mannen in witte pakken waren ver weg bezig.

We stonden toen lange tijd stil, we kregen flesjes NS-water en in het strijklicht van de laagstaande zon zag je stofdeeltjes langzaam voorbij zweven. De sfeer in de trein was gelaten. Geen ergernis over de oplopende vertraging. Slechts de voorstelling van het gebeurde in de gedachten van de mensen en wellicht medelijden met de conducteurs die de gevolgen van de botsing tussen mens en trein moesten bekijken. Bij mij wel. En contact met je buurman. Zo zit je maanden in de trein zonder een woord te wisselen. Maar als je samen iets meemaakt, komt het gesprek een stuk makkelijker op gang. Na een paar uur kon de trein weer verder. Weinig mensen keken naar buiten, die eerste paar minuten. De gelaten sfeer bleef de verdere treinreis aanwezig, zelfs bij het uitstappen op het station. Een vreemde gewaarwording.

En nu dus in het duister van de vroege ochtend ergens in een weiland. Jammer van het overleg zodirect, denk ik, maar met nog 500 bladzijden te gaan in mijn boek, kom ik de tijd wel door. Vijf minuten later rijden we weer. Zonder opgaaf van reden. Geen mens dus, concludeer ik voorzichtig. De opgelopen vertraging zorgt nu wel voor ergernis op de gezichten. Ook bij mij. Maar ergens ben ik ook wel blij dat dit een ‘gewone’ vertraging blijkt. Die trein-mens botsingen maken je wel heel erg bewust van je eigen kwetsbaarheid.

Gehoord in de trein …

wpid-20141116_162546.jpgVorige week zat ik in de niet-stilte-coupé. Hoewel de stilte-coupé ook wel eens niet stil is, was dit de officiële variant. Voor de boekenlezende mensen onder ons wellicht niet de meest ideale plek, maar voor een blogger zoals ik af en toe een walhalla aan inspiratie. Wat mensen al niet bespreken op hun reis van A naar B, te midden van heel veel andere mensen.

Zo af en toe leg ik bewust mijn boek weg en ga er eens lekker voor zitten. Laat ik ongegeneerd de gesprekken van mijn medepassagiers over mij heen komen. Van het veelgehoorde ‘wat eten we vanavond’-telefoongesprekje tot ruzies met het (binnenkort ex-) vriendje. En alles daartussenin. Oppervlakkig of doordringend tot het diepste gevoelsleven. De gemiddelde treinreiziger doet er niet moeilijk over. Jong, oud, ik bespeur geen onderscheid.

Bij de deur zit een studente, een uitwisselingsstudente, aan haar Amerikaanse accent te horen. Ze voert een telefoongesprek. Vrij luid en duidelijk articulerend bespreekt ze met de persoon aan de andere kant van de lijn haar vriend. Het onderwerp van het gesprek kan natuurlijk ook een huisgenoot, een broer, een buurman, achterneef, of iets in die richting zijn, maar laten we er voor het gemak even van uitgaan dat het haar vriend betreft.

Ze vertelt uitgebreid over zijn kookkunsten:“He’s very oldfashioned in cooking, very simplistic”. Meteen denk ik aan het bekende AVG-tje, dat de vriend in kwestie elke avond op tafel tovert. Gekookte aardappels, lekker stukje vlees, bloemkool en uiteraard een smakelijke jus erbij. Typisch Nederlands, vrij ouderwets. Maar ook ouderwets in Amerikaanse ogen? Of denkt de studente meer in de richting van klassiekers als mac and cheese, een vrij simpel gerecht en al jaren in zwang

En daarnaast, is haar vriend wel een Hollander? Of is ze met haar Amerikaanse boyfriend van weleer naar Europa vertrokken. Heeft de jongen, in dat verre Holland, de smaak te pakken gekregen. Heeft hij zijn passie ontdekt, die onder de vleugels van zijn zorgzame stay-at-home mum niet tot volle wasdom kon komen. In zijn eerste maanden zijn de gerechten nog vrij simpel en ouderwets, maar het is heel goed mogelijk dat hij over een paar jaar een serieuze concurrent geworden is van de grote chef-koks

Geen gekke keuze als vriend. Nu alleen nog die eerste maanden door zien te komen. De studente benadert het allemaal vrij pragmatisch. Of het eten nu ouderwets of simpel is, “by the time I get there, I’m so hungry it doesn’t really matter.”

No limit

wpid-20141016_173730.jpgThere’s no limit. In een flits komen de bekende woorden voorbij. Omkaderd door het raam. Het moment daarop weer uit beeld geschoven. Vervolgens de kiosk, mensen met paraplu’s, met AH-to-go zakken, met kartonnen koffiebekers van Starbucks, met smartphones, koptelefoons. Ernstige gezichten. Opzij, opzij, opzij maant het volgende bord. De trein remt langzaam af. Witte letters op een rode achtergrond lijken te schreeuwen naar de reiziger. Proberen een boodschap over te brengen. Terwijl ik de roltrappen voorbij zie komen, een van zwart draadstaal vervaardigd bankje, dringt 2 Unlimited zich op. In mijn hoofd, niet op een affiche. Drie woorden scheuren het blik ‘jaren 90-muziek’ weer open, dat zorgvuldig afgesloten weggeborgen was onder heel veel andere, nieuwere muziek.

No no limit, we’ll reach for the sky, no valley too deep, no mountain too high.

Het balkon, de gele knop. Deuren gaan open. Een paar passen, dan de trap op. Mensen ontwijkend richting de OV chipkaartpoortjes. Het vertrouwde geroezemoes van de stationshal verdringt langzaam Ray en Anita. En dan, de trap weer af, mensen ontwijkend. De achterlichten van de bus in de verte. Twee minuten. Snel snel, looppas. “Goedemorgen”. Een knikje van de buschauffeur. Met een enigszins versnelde ademhaling plof ik neer op een van de vrije bankjes achter in de bus. Gehaald. De geur om me heen van pasgewassen haren, onlangs opgespoten deo, vers gedrukte krant. Even 10 minuten achterover leunen, naar buiten staren.

Een rood-wit affiche schuift weer in beeld. In mijn gedachten. Geslaagde reclame. Het blijft hangen, brengt gevoelens teweeg, roept herinneringen op.

Maar waar is het eigenlijk reclame voor?

Een Australische buurvrouw

Treinleven

Ze ploft naast me neer. Grote tas op haar schoot. Ze diept er een treinkaartje uit op. “Is this train going to …?”, voor de plaatsnaam wijst ze naar haar kaartje. Een moeilijk uit te spreken naam voor een buitenlander. Zeker voor een Australische. Het accent meen ik te herkennen uit een ver verleden. Ik knik. “Yes” zeg ik, een beetje ten overvloede. Ze lijkt tevreden met het antwoord. Met in haar ene hand haar telefoon en in haar andere een zakje chips zakt ze onderuit. Volkomen op haar gemak lijkt ze, in deze Nederlandse trein. Vol, door alle dagjesmensen die nu de plaats innemen van de vakantievierende forenzen.

Een moeder haalt haar kind in een paar handelingen handig uit de kleurige omslagdoek. Aanvankelijk kijkt het kind rustig om zich heen, maar naar gelang de reis vordert, is het steeds duidelijker aanwezig. Met een verrassend goede woordenschat babbelt het met zijn moeder over de slapende meneren. Het geluid dat de deksel van het vuilnisbakje maakt, elke keer opnieuw, blijft fascinerend. “Dat is vies, Gerben” probeert de moeder. “Is vies” zegt het kind en laat de deksel weer vallen, een lach op zijn gezicht, pretoogjes onder witblonde haren.

Bij Amersfoort stapt een groepje joviale mannen in. Onmiskenbaar nog in de vakantiestemming. Shorts, teenslippers, felgekleurde T-shirts met opdruk, overduidelijke zonnebrilwitte vlakken op hun gezichten. Verdeeld over twee vierzitsbankjes bespreken ze het zwembad en de chickies. Net iets te hard slaat de ene kameraad de andere op zijn rug. De groep barst in lachen uit. Dit zijn niet de slapende meneren van Gerben.

Tien minuten voor aankomst gaan de eerste mensen staan en bewegen zich naar het balkon. In de startblokken om de volgende trein of aansluitende bus te halen. Het gangpad raakt langzaamaan vol. Voor mij geen treinen of bussen meer vandaag, maar een fiets, zonder vaste vertrektijd. Heerlijk. Geen haast deze keer. Ik kijk uit het raam en zie hoe de stad nadert. “Do you want to get out?” vraagt de Australische aan mij, een blik werpend op de lange rij wachtenden en al half een beweging makend om mij er langs te laten. Verrast kijk ik haar aan. Ik heb de ervaring dat de ‘raamkantreiziger’ altijd zelf het initiatief moet nemen om voortijdig zijn plek te kunnen verlaten. Meestal werkt de ‘gangpadreiziger’ wel mee. Soms niet. Maar aangeboden is het me nog nooit. Doe mij volgende keer weer een Australische buurvrouw … of een Australische trein … in het gelijknamige land … een maandje of twee. No worries, mate!

Vijf minuten: deel 2

pexels-photo-105901.jpeg
Foto door pattama choomsree op Pexels.com

Zoals elke ochtend zaten we met z’n tweeën op het balkon, in het laatste kwartier naar onze eindbestemming. Mijn medereiziger, in een vrolijke zwart-wit geblokte jas die eigenlijk net wat te krap was voor zijn omvangrijke taille, was ingestapt in A. Toen de deuren daar opengingen vloeiden de uitbundige klanken van vroege oranjesupporters de sluimerende trein binnen. Beladen met koffers, weekendtassen en allerhande oranjeparafernalia bouwden de supporters al een klein feestje. Hun Braziliaanse avontuur stond op het punt van beginnen.

Op het gezicht van mijn buurman verschijnt, bij het zien van al dat oranje, een tevreden glimlach. Een onbeduidende opmerking van mijn kant blijkt het spreekwoordelijke hek (van de dam) te zijn. De man blijkt een fervent oranjesupporter en heeft een ijzersterk geheugen waar het de voetbalgeschiedenis betreft. Als een wandelende encyclopedie somt hij de feiten op. Blij dat hij zijn kennis mag spuien, brengt hij mij in korte tijd op de hoogte van allerlei, mij onbekende, voetbalwetenswaardigheden.

Hoewel mijn kennis van en interesse voor voetbal gering is, heb ik mijn laatste treinkwartier aandachtig geluisterd naar de voetbalfan. Niet om de feiten in me op te nemen, dat is onbegonnen werk, hoewel ik nu onverwachts veel weet over de eerste wedstrijd van ‘onze jongens’ vanavond. Nee, ik verwonderde me over het enthousiasme van de man. Hij leek net een colaflesje dat even daarvoor flink geschud was. Als je de dop maar een klein beetje opendraait, begint de inhoud eruit te stromen. Bijna niet te stoppen.

Stiekem ben ik wel een beetje benieuwd naar het laatste treinkwartier aanstaande maandagochtend. Zal de uitdaging tegen de Spanjaarden, wat de uitslag ook mag zijn, enig vat hebben op zijn doorgewinterde enthousiasme?

Deel 1 lezen van Vijf minuten? Klik hier