Nederland in 13 paarden

Zandweg
Afbeelding: jvanderperk.blogspot.nl

Aarzelend rijdt de auto het verlaten erf op. In de binnenspiegel ziet hij de stofwolken langzaam neerdalen op het onverharde pad. Even blijft hij zitten, opent dan zijn portier en stapt uit. Hij kijkt om zich heen en knijpt zijn ogen tot spleetjes. Sinds vanochtend vroeg schijnt de felle zon onafgebroken. Het is hoogzomer.

Achter zich hoort hij voetstappen. Hij plooit zijn gezicht tot een glimlach en draait zich om. “Goeiemorgen, je komt voor het paard”, zegt de in een vale overall gestoken oude man, meer als constatering dan als vraag. “Kom maar mee, ze staat hierachter.” Voordat de automobilist een bevestiging kan mompelen, kijkt hij tegen een gebogen rug aan, die langzaam richting de stallen sjokt. Eigenlijk niet verbaasd over de ontvangst, loopt hij achter de boer aan.

Dit is al het dertiende paard in een paar maanden. Sinds hij en zijn dochter zich die eerste keer onhandig op die hoge paardenrug hadden gehesen, had het idee van een eigen paard zich in hun gedachten genesteld. Na een paar maanden op gedweeë manegepaarden te hebben doorgebracht, werd het vaag omlijnde idee steeds concreter.

Hoe zou het zijn als je ’s avonds na het eten nog even een ritje zou kunnen maken op je eigen paard. Gestald achter je huis, altijd binnen handbereik. Hoe zou het zijn als die paardenhoeven weerklinken op de klinkers van je eigen straat, terwijl de televisies een blauwig schijnsel werpen op de buurtbewoners op hun bank. Een uurtje over verlaten landweggetjes rijden, in draf door een verzameling bomen die eigenlijk geen bos mag heten, ganzen die opvliegen uit hun sluimering in de weilanden.

En nu staat hij oog in oog met een vurige merrie. Als de boer haar uit haar stal haalt, heeft hij moeite haar in bedwang te houden. “Het is nog een jong paard”, legt de man uit, “met de nodige training heb je hier een goeie aan.” Niet geïmponeerd door de bokkensprongen leidt hij haar naar buiten en biedt de teugels aan de paardenkoper aan. “Ik haal even een zadel”. De boer sjokt weg, zonder om te kijken.

Een moment kijken paard en koper elkaar aan. Dan neemt de onrust weer de overhand en begint het paard aan de teugels te trekken, schopt met haar achterbenen en doet een poging tot steigeren. Hangend aan de teugels, is het hem duidelijk. Dit wordt ‘m niet.

Dit is wat ik mij erbij voorstelde toen een collega enthousiast vertelde over zijn zoektocht naar het juiste paard. Met glanzende ogen beschrijft hij de verschillende situaties waarin hij verzeild raakte. Over een bouwvallige stal, gebouwd aan een bospad, alleen bereikbaar met een 4×4; over een 16-jarig meisje dat de onderhandelingen voerde, omdat het nu eenmaal haar paard was; over een traditioneel boerengezin met een hele schare kinderen ergens op de Veluwe, waarbij je je 60 jaar terug in de tijd waande.

Nu de teller op 13 paarden staat, heeft hij een groot deel van Nederland doorkruist. Plekken waar hij nog nooit geweest was, mensen waarvan hij het bestaan nooit bedacht had. Uiteindelijk zal hij het juiste paard vinden, daar is hij van overtuigd. Tot die tijd heeft hij de zoektocht en dat is minstens zo verrassend en verbazingwekkend.

Advertenties

Vroeg

Afbeelding: nl.wikipedia.org
Afbeelding: nl.wikipedia.org

Eén hondenbezitter ben ik tegen gekomen, die zich op dit uur buiten waagde. Geen wandelaars, geen fietsers, geen hardlopers, ik ben de enige. Al dit uitzicht voor mij alleen. Als ik over de dijk zoef, windje in de rug, vliegen de ganzen op. Gewekt uit hun sluimering, verdwaasd door deze ongewoon vroege verstoring. Vijftig meter verder strijken ze weer neer op het gladde wateroppervlak, tussen de rietkragen. Ik zie ze nog net hun slaaphouding weer innemen, voordat ik, het fietspad volgend, de dijk afrijd. In een paar seconden zit ik tussen de weilanden. Watervogels hebben plaatsgemaakt voor lome shetlandpony’s en een paar geiten. In de berm sluipt een kat op rooftocht. Boerderijen staan aan weerszijden van de smalle weg. Geen leven te bespeuren.

Verder rijd ik, voortjagend door het stille land, genietend. De zon stijgt langzaam verder, de rode bal is helemaal zichtbaar. Ze heeft nog weinig kracht, waardoor de koele, vochtige ochtendlucht onveranderd blijft. De geneugten van het voorjaar. Dauw bedekt de paaltjes die wandelingen aangeven. Pijlen in vrolijke kleuren wijzen wandelaars naar de dijk, het bos even verderop en over een hek het weiland in. Ze staan er nog niet zo lang, die paaltjes. Ik kan me niet herinneren dat ik ze vorig voorjaar heb gezien. Of misschien zijn ze me niet opgevallen. Was ik bezig met andere dingen.

Een geluid zwelt aan. Het komt uit de richting waar ik vandaan kwam. Een gele streep doorkruist het landschap. De eerste trein naar D. Weinig mensen in de trein, zo te zien. Een enkeling op weg naar andere oorden. Vroeg opgestaan op deze vrije dag. De schapen trekken zich er niets van aan en grazen rustig verder.

Ik steek een provinciale weg over. Verlaten glinstert het asfalt, de eerste stralen van de hoger geklommen zon reflecterend. Afstappen is niet nodig en ik maak gebruik van mijn snelheid als ik aan de andere kant van de weg een hellinkje neem. Op weg naar het enige dorp dat ik ga tegenkomen. Het meest zuidelijke deel van de route. Hier verlaat ik definitief het uiterwaardengebied om onder het lommer van de oude bomen verder te fietsen. Havezaten verrijzen, oprijlanen, rododendrons die over een paar maanden hun kleurenpracht tonen. Geen asfalt meer, maar klinkertjes. Veel rustieker, maar minder comfortabel. In het midden is de weg hoger dan aan de zijkanten. Ik fiets halverwege, maar laat me al snel terugzakken naar de rand.

In de verte een zwarte stip die steeds groter wordt. Voorovergebogen over zijn stuur, gezicht onzichtbaar achter zijn vizier, in zwart lederen pak gehuld, nadert de motorrijder. Hij rijdt midden op de weg. Op het hoogste punt. In een fractie van een seconden is hij voorbij. Op weg naar een vroege kerkdienst? Of is het een gelijkgestemde geest? Wie weet. Het geluid sterft weg, de stilte neemt weer toe.

Ik merk dat ik weer in de richting fiets waaruit ik gekomen ben. De wind waait in mijn gezicht en doet mijn ogen tranen. Ik trap stevig door. Nu kracht zetten om de snelheid te behouden. Een ander landschap, een andere windrichting, de afwisseling is welhaast verslavend. “Een fijn rondje”, zal ik straks zeggen, als iemand vraagt hoe de fietstocht was, “lekker rustig”. Het idee dat ik zodirect nog een hele dag heb, terwijl ik er al een ochtend op heb zitten, voelt goed.

Man in restaurant, donderdagavond 20.15 uur

Afbeelding: pilat.nl
Afbeelding: pilat.nl

Aan een houten tafel zat hij. In mijn blikveld. Zenuwachtig schoof hij heen en weer op zijn stoel. Armen op tafel, rondkijkend. Elke paar seconden bewoog zijn neus, bijna onmerkbaar. Een fractie van een seconde een kleine rimpel op de overgang van voorhoofd naar neusbrug. Alsof hij wilde checken of zijn neus er nog zat en functioneerde. Zoals een paar seconden daarvoor.

Voor hem op tafel een bord, karig gevuld. De bestanddelen van de maaltijd culinair opgestapeld. Een deel was al verdwenen. Met vork en mes ging hij het stuk vlees te lijf. Hij wierp een geconcentreerde blik op zijn bord, hanteerde zijn vork, bracht deze naar zijn mond, at en keek vluchtig naar links. Opnieuw boog hij zich naar voren, een hap en een blik naar links. En bij de volgende hap dezelfde handelingen. Automatisch leek het wel. Naar beneden kijken, happen, naar links kijken

De mensen aan zijn linkerkant aten ook, leken niets te merken. Wat was het dat zijn aandacht trok? Waardoor had hij een extra stap ingelast in zijn eetproces? Ik keek nogmaals naar de buren, een doorsnee stelletje, middelbare leeftijd. Zij in een fleurige, net wat te wijde bloes op een strakke ribbroek, hippe bril op, hij in een schipperstrui, oudere spijkerbroek en stevige stappers, haar net wat te lang. Gezellig keuvelend, af en toe een lach, een uithaal (“toch niet Bianca?!”). Genietend van de dagschotel voor twee. Niets bijzonders.

En toen was het op, het eten. Hij had zich door het vlees, het bedje van truffelpuree en de gemengde groenten heen gewerkt. Zijn ogen nu op de tafel gericht. Ver weg, leek het wel. Wat ging er om in zijn hoofd? Een vlugge blik op zijn horloge. En daar de eerste volledige zin, gericht aan mij: “mag ik de rekening, alsjeblieft?”

“Maar natuurlijk,” reageerde ik, “heeft het gesmaakt?” Weer die beweging van zijn neus.

“Zeker, maar ik moet er eigenlijk snel vandoor, dus …”

“Tuurlijk, tuurlijk”

Nog voordat ik zijn tafel had bereikt, rekening in de hand, kwam hij me al tegemoet. Zijn jas aantrekkend, liep hij achter me aan, naar het pinapparaat.

“Tot de volgende keer en nog een prettige avond” wenste ik hem gewoontegetrouw toe. Half omdraaiend, knikte hij, “dat komt wel goed, hoop ik”. Bij de deur haalde hij een opgevouwen briefje uit zijn zak, streek het glad. Zijn ogen gingen over het telefoonnummer en het adres, ergens in de stad. Een lichte glimlach verscheen heel even toen hij de vluchtig geschreven naam eronder las.

Ontruimingsoefening

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De 15de: als een kudde gewillige schapen schuifelen de vele medewerkers naar de trappenhuizen en beginnen aan hun tocht naar beneden. Er heerst voornamelijk gelatenheid, chagrijn is ook te bespeuren, die opgewekte stagiaire die zich geen beter begin van de maandagochtend kan wensen, valt een beetje uit de toon. “Is het een oefening, of is er echt iets?”, hoor je af en toe. Schouders worden opgetrokken, hoop voor het eerste wordt uitgesproken. Voor de zekerheid zijn de laptops, de nog natte jassen en werktassen wel meegenomen.

De 9de: hoe lager we komen, hoe drukker het wordt. “Gelukkig zit ik niet in een rolstoel”, zegt een al wat oudere man voor me, dan had zo’n ontruimer me op zijn rug moeten nemen. 15 verdiepingen naar beneden! Kun je het je voorstellen?” “Nee, gelukkig niet”, mompelt zijn baardige buurman, terwijl hij een bozige blik werpt op de nog altijd groeiende mensenmassa voor hem.

De 5de: een telefoon gaat. “Hoi … nee, nee, sorry! En teruggaan gaat ook niet, het is hier echt vreselijk druk. Maar je mag wel onder mijn paraplu. Ja, tot zo.” Het kortgerokte meisje kijkt even vlug of haar eigen jas nog over haar arm hangt. Het land der fabelen is weer een mythe rijker, ontruimingsoefeningen worden blijkbaar niet alleen bij mooi weer gehouden.

Begane grond: door de draaideuren heen worden we naar de bedrijfskantine gedirigeerd. De regen slaat tegen de hoge ruiten, terwijl een cateringmedewerkster ons opwacht met snickers, marsen en mandarijnen. We kunnen het nu rustig vaststellen: dit is een oefening.

Met handgebaren worden binnenkomers naar tafels gewenkt om midden in een geanimeerd gesprek te vallen. Anderen, met notitieblokken in de hand, zetten hun bekertjes koffie neer, nemen plaats aan een van de lange tafels en gaan verder waar ze gebleven waren – in de vergaderzaal, 11 verdiepingen hoger.

Als dan uiteindelijk de mededeling komt dat we weer naar onze verdieping terug kunnen, wordt dit overstemd door het stemgeluid van honderden mensen die hun werkweek onverwachts op een heel andere manier zijn begonnen. “Geen sportschool voor mij, vanavond” hoor ik nog iemand zeggen, voordat ze in één van de overvolle liften glipt.

Blikveld

Druppels op raam

De lucht is gevuld met gegons. Af en toe laat iemand zijn kauwgom klappen om zo ook zijn aanwezigheid duidelijk te maken. De hele atmosfeer is bedompt en is een perfecte vulling van de ruimte die níet door mensen is bezet. De gelijkenis tussen vulling en bezetting is treffend. Overal staan, zitten of hangen mensen. De meeste houden zich vast aan de stangen links en rechts boven het gangpad. Iedere keer als de bus een bocht neemt, verliezen enkele hun evenwicht en proberen zich met grote moeite aan alles wat los en vast zit vast te grijpen. In de meeste gevallen lukt dit ook.

De bus stopt. Bij de halte staan de mensen zich te verdringen om een plekje te bemachtigen in het bushokje, beschermd tegen de regen. Een enkeling heeft zich afgekeerd van dit gedrang en staat demonstratief een paar meter van de abri af. Hij gaat bijna geheel verscholen onder een zwarte paraplu. De buschauffeur doet de deuren open, maar weet dat niet alle wachtenden met deze rit meekunnen. Na een aantal te hebben laten instappen, maakt de man een schuddend gebaar met zijn hoofd, trekt zijn schouders op en wijst naar de opeengepakte mensen in zijn bus. Dan sluit hij de deuren. Hij negeert de boze blikken, beroert zijn richtingaanwijzer en voegt in tussen de lange rij auto’s.

Een meisje met rood haar, dat op gekunstelde wijze over haar hoofd is gekamd zit tegenover me en volgt de baan die een regendruppel trekt op de buitenkant van het raam. Aandachtig volgen haar ogen het schouwspel totdat de onderkant van het raam is bereikt. Haar blik dwaalt kort door de bus. Een fractie van een seconde zit ook ik binnen haar gezichtsveld. Dan vestigt ze haar aandacht op een volgende druppel die begint aan zijn weg naar beneden, zijn soortgenoten achterna.

Een meneer met stropdas en een donkerblauwe regenjas gaat schuil achter een gratis op het station verstrekt krantje. Terwijl hij leest over de vier van Belgrado en het onstuimige weer van de volgende dag, trekt de mevrouw naast hem zich steeds verder terug naar het raam in een poging de uitgestrekte linkerhand met de geheel uitgevouwen krant te ontwijken. De krantlezer heeft niks door. Ook zijn overbuurman die gretig de voorpagina van dezelfde krant meeleest, valt hem niet op. Een abrupte hantering van het rempedaal rukt de meneer met de donkerblauwe regenjas even weg van het nieuws van de macrowereld en brengt hem even terug naar de microwereld die zich tien minuten geleden heeft gevormd en bij elke bushalte van inhoud verandert. Even later is de arm weer gestrekt en kan zijn overbuurman het artikel uitlezen.

Met een steelse blik kijkt een man van achter in de bus naar mijn buurvrouw, die doet voorkomen dat de voorbij glijdende huizen veel belangrijker zijn dan de mensen in de bus, inclusief de man achterin de bus. Niet uit het veld geslagen blijft hij proberen een glimp van haar oogopslag in zijn richting op te vangen. Helaas blijft deze overduidelijk afwezig en als mijn buurvrouw bij de volgende halte zonder blikken of blozen met haar blik op oneindig uitstapt, glijdt er een zweem van teleurstelling over zijn gezicht. Niet lang daarna echter heeft hij zich hersteld en scant de bus op een ander – nu wat gewilliger – slachtoffer.

Ik kijk nog eens de steeds leger wordende bus rond en vestig dan mijn blik op het gele bord bij de bushalte waar de bus nu voor afremt. Broekweg. Dit is mijn halte. De regen blijft uitnodigend met bakken uit de hemel vallen. Gelukkig heb ik mijn zwarte paraplu.