Museum zonder uitgang

Felix Nussbaum HausMet een zacht zoef-geluid zwaait de zware deur open. Dik staal, zonder handgreep. Het lijkt wel een kluisdeur, of de toegangsdeur van een gevangenis. Achter de deur strekt zich een lange gang uit. Betonnen wanden, betonnen vloeren, licht hellend, geen ramen, spaarzaam licht. Helemaal aan het einde flitsen zwart-wit beelden, geprojecteerd op de achterwand. Een geluid dendert door de gang en sterft weg. Het lijkt wel alsof er een goederentrein voorbij rijdt. Langzaam lopen we de gang in. Achter ons horen we de deur met een plof dichtvallen.

We bevinden ons in het Felix-Nussbaum-haus in Osnabrück. Een museum gewijd aan de werken van de gelijknamige schilder en illustrator. We brengen er uiteindelijk twee uur door. Niet alleen gegrepen door de schilderijen van deze man, maar ook door zijn verhaal en bovendien door het gebouw dat feilloos lijkt te passen bij hetgeen het museum wil vertellen.

We waren er op de juiste dag, grijs en koud. In veel zalen waren wij de enige bezoeker. De intense stilte met in de verte af en toe de goederentrein, onze voetstappen op de betonnen vloeren. De schuine, welhaast willekeurige neergezette scheidingswanden. De rasters in de vloeren waardoor je de verdieping onder je kon zien. Het droeg allemaal bij aan het gevoel van uitzichtloosheid, desoriëntatie, machteloosheid en bij tijd en wijle van onderdrukking, van gevangenschap. De tweede wereldoorlog kwam wel heel dichtbij. Felix Nussbaum HausDe Joodse Felix Nussbaum wordt in 1904 geboren in Osnabrück en wordt met liefde voor de kunst groot gebracht. Hij begint zijn carrière als schilder in Berlijn waar hij schilderkunst studeert. Hij wint een studiebeurs voor de Villa Massimo in Rome en vertrekt in 1932 naar Italië. Hij zou nooit meer terugkeren naar Duitsland. De Duitse anti-Joodse maatregelen missen hun invloed niet op het Italië van Mussollini. In 1933 wordt Nussbaum uit de Villa Massimo gezet en komt hij via omzwervingen in België terecht. Hier leeft hij jarenlang onder voortdurende bedreiging. Totdat hij in de zomer van 1944 samen met zijn vrouw wordt opgepakt en uiteindelijk in Auschwitz wordt vermoord. Hij is dan 39 jaar oud.

In zijn werken zie je zijn veranderende leven voorbij komen. In een eigen naïef-nieuwzakelijke stijl schildert hij aanvankelijk hedendaagse taferelen (zijn ouders, vrienden), waarin hij zijn eigen werkelijkheid probeert te stoppen. Later echter spreekt er steeds meer een grimmige sfeer uit zijn werk, zoals bij zijn zelfportret met de gele ster. Op het laatst komt het besef dat hij zal sterven sterk naar voren en worden zijn werken bevolkt door skeletten.  Afbeeldingen: osnabrueck.de en wikipedia.com

Afbeeldingen: osnabrueck.de en wikipedia.com

Het museum wordt in 1998 opgericht en in 2011 in zijn huidige vorm opgeleverd. De Amerikaanse architect Daniel Libeskind, zoon van Holocaust-overlevenden, is verantwoordelijk voor het ontwerp. Voor hem is architectuur communicatieve kunst. In 2002 in The New Statesman zegt hij hierover:

“Maar al te vaak wordt architectuur […] als nietszeggend beschouwd. Gebouwen worden gezien als vrij ter beschikking staande gebruiksvoorwerpen, met als enig doel om te verdwijnen achter het gebruik dat van hen gemaakt wordt. […] Ik ben vastbesloten om af te komen van dit al te zeer vereenvoudigde standpunt over de traditie van de architectuur.”

Het Felix-Nussbaum-Haus is het eerste gebouw van Libeskind, dat wordt voltooid. Hij noemt het ‘Museum zonder uitgang’. Zijn standpunt is hier heel duidelijk te zien. Het gebouw bepaalt mede de sfeer in dit museum. Ik was eerder in het ook door Libeskind ontworpen Jüdisches Museum in Berlijn. Op de een of andere manier roept dit dezelfde atmosfeer op. Dezelfde typerende schuine wanden, hoekige nissen. Het onderwerp zal hier natuurlijk ook een rol bij spelen. Een ander bekend ontwerp van Libeskind is dat van 1 World Trade Center op Ground Zero in New York.  Felix Nussbaum HausAls we na twee uur weer bij de kluisjes in de kelder komen, die overigens ook helemaal in de stijl van het gebouw zijn, besluiten we de koffie in het museum over te slaan. En in de oude binnenstad van Osnabrück een koffiebarretje op te zoeken. Even een andere atmosfeer. De bijna letterlijke rillingen kwijtraken. Het doet wat met je, dit museum. Ik stapte naar binnen met het idee om voor de Elke Maand Een Museum-uitdaging het buitenlandse museum van mijn lijstje af te strepen. Ik stapte eruit met een overweldigend gevoel. Dit was verreweg het indrukwekkendste museum dat ik dit jaar gezien heb. De museumfolder beschrijft het heel goed:

“Kunst blijft hier geen zuiver visuele ervaring, maar is ook subtiel op andere niveaus aanwezig.”

Wil je ook het Felix-Nussbaum-Haus ervaren? Osnabrück ligt slechts 80 km van de Nederlandse grens en is ook per trein goed te bereiken. Vanaf het museum loop je zo het oude centrum in met leuke koffiebarretjes, veel winkels en heel veel andere musea.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Schilder van het licht

Afbeelding: klear.com
Afbeelding: klear.com

We lopen over grond vol herinneringen als we de afstand tussen parkeerplaats en museum overbruggen. Vijftien jaar geleden stond hier een fabriek. Nu is er alleen nog een monument omringd door enkel nieuwe huizen. De wijk is ongewild een nieuwbouwwijk geworden nadat zich hier een van de grootste rampen uit de recente Nederlandse geschiedenis had voltrokken. Ook het museum dat we bezoeken heeft geleden onder de ramp. Het staat aan de rand van de wijk en was na 13 mei 2000 zo erg beschadigd dat het een jaar heeft geduurd, voordat het de deuren weer kon openen voor bezoekers. Als door een wonder, zoals het museum zelf zegt, was de collectie onbeschadigd gebleven.

We zijn op weg naar Rijksmuseum Twenthe in Enschede waar een tentoonstelling van het werk van Joseph Mallord William Turner (1775 – 1851) is ingericht: Gevaar & Schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme. De TomTom had ons keurig naar de voordeur van het museum geleid en – na even zoeken – naar de verderop gelegen parkeerplaats Roombeek.

Vanuit een zonnige herfstdag stappen we een donkere zaal binnen. We zijn niet de enige en we moeten moeite doen een glimp op te vangen van de – overigens wel weer zonnige – schilderijen van de ‘schilder van het licht’. De menigte schuift door en wij schuiven mee. Langs Britse vergezichten, Venetiaanse stadsgezichten en dreigende desolate landschappen.

De ontwikkeling in het werk is duidelijk te zien. Van herkenbare landschappen naar abstracte vervloeiing van vormen, waarbij het geschilderde bijna geheel versmelt met het licht. De werken blijven herkenbaar door het kleurgebruik. De lichte gele kleuren, het licht in de werken, maken een schilderij onmiskenbaar tot een Turner. De Engelse meester schildert dat wat hij beleeft als hij een landschap ziet, niet enkel een natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid. “He carried art further than it had gone before” zegt zijn biograaf Walter Thornbury over Turner.

In de verschillende themazalen hangt Turner niet alleen. Hij wordt geflankeerd door diverse schilders uit de Europese kunstgeschiedenis, van de late middeleeuwen tot nu. Oude bekenden komen voorbij: Jan Toorop, Claude Lorrain, Claude Monet. Lang blijf ik hangen in de zaal met het thema ‘Hope, Hope, fallacious Hope! Where is thy market now?’ waar de ongrijpbare en vernietigende kracht in de natuur en nietigheid van de mens centraal staat. Het schilderij The Fifth Plague of Egypt hangt er tegenover het magisch-realistische Chateau en Espagne van Carel Willink. Beide fascinerende werken.

'The Fifth Plague of Egypt' - William Turner en 'Chateau en Espagne' - Carel Willink Afbeeldingen: rijksmuseumtwenthe.nl en wikiart.org
‘The Fifth Plague of Egypt’ – William Turner en ‘Chateau en Espagne’ – Carel Willink
Afbeeldingen: rijksmuseumtwenthe.nl en wikiart.org

Het is welhaast overweldigend, deze tentoonstelling. Zoveel verschillende werken, zoveel eeuwen schilderkunst. Eigenlijk zouden we op een rustig moment nog eens terug moeten gaan. De tijd moeten nemen voor de thema’s, de verschillende schilderijen in die themazaal. Als voorbereiding ons inlezen over deze man die bijna 150 jaar na zijn dood zoveel mensen naar Enschede trekt. Naar een plek waar de geschiedenis niet ophoudt bij de muren van het museum.

De tentoonstelling Gevaar & Schoonheid – Turner en de traditie van het sublieme is niet alleen in Enschede te zien. Ook in Museum de Fundatie in Zwolle zijn de werken van Turner te ervaren. Benieuwd naar deze ‘schilder van het licht’? Je kunt de tentoonstelling nog tot en met 3 januari 2016 bezoeken.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Selfies in het Zuiderzeemuseum

Zuiderzeemuseum 2Tijdens het verkennende bezoek dachten we alles geïnventariseerd te hebben. Te midden van de slierten rook, die ontsnapten uit de rookoven, had de palingroker duidelijk het aantal uren genoemd waarna een gerookte paling eetbaar is. Vraag 4, check! We vonden een interessante meneer op de deur in de schilderswerkplaats die veel zin leek te hebben in selfies. Opdracht 7, check! De predikant met de intrigerende naam was duidelijk te zien op het grote bord in de oude kerk. Vraag 6, check! Tenslotte was de functie van de hoepels die her en der te zien waren ons overduidelijk, dachten we. Vraag 8, check! De dag was geslaagd, het weer over twee maanden hopelijk net zo mooi als vandaag en de vragen voor de speurtocht zeker niet te makkelijk. Kom maar op met die familiedag.

Zoals elk jaar zou onze inmiddels uit vier generaties bestaande familie een dag van het jaar gezamenlijk doorbrengen, ergens in den lande. Een ondertussen traditioneel onderdeel van de dag is de speurtocht waarbij familieleden in groepen van wisselende samenstelling met elkaar de strijd aangaan om de legendarische wisseltrofee binnen te halen. Enige competitieve elementen zijn dan ook zeker noodzakelijk. Dit keer zat ik in de organisatie. En met de uitdaging ‘Elke Maand Een Museum’ in het achterhoofd, kwamen we een paar maanden geleden uit bij het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.

Het Zuiderzeemuseum: het openluchtmuseum aan het IJsselmeer waar je gemakkelijk een dag rond kunt dwalen. Gebouwen uit verschillende Nederlandse plaatsen aan de voormalige Zuiderzee zijn ter plekke afgebroken en hier weer opgebouwd. Vaak steen voor steen, zoals de kerk van Den Oever. Regelmatig zijn deze huizen, winkeltjes en bedrijfjes bevolkt door museummedewerkers in bijpassende kleding en een schat aan informatie. Interactie wordt aangemoedigd. Als je niet oppast keer je aan het einde van de dag weer huiswaarts met zelfgemaakte springtouwen, klompbootjes, stroopsoldaatjes en wat dies meer zij.

Maar zo ver is het nog lang niet. Na een lunch, een korte uitleg en een paar welgemeende succeswensen sturen wij de groepen op pad. Terwijl wij als organiserend comité rustig genieten van een cappuccino in de zon bij café Hindeloopen, komen de eerste antwoorden binnen in de verschillende whatsappgroepen, die we speciaal voor deze dag hebben aangemaakt. Familiedag 2.0 … Die groepen blijken uitgezwermd te zijn over het hele museumterrein en vanuit verschillende hoeken ontvangen we jaartallen, huisnummers, selfies en zelfs filmpjes.

Het aantal gapers in de apotheek blijkt niet lastig te tellen te zijn. Ook het aantal dagen dat vader en zoon Klaas (en Jacob) op een ijsschots doorbrachten wordt door iedereen gevonden. De predikant met de intrigerende naam blijkt lastiger. De enige kerk die het museum rijk is, blijkt ook een trouwlocatie te zijn. Deze middag zijn er meerdere huwelijken achter elkaar en is de kerk dicht voor niet-bruiloftsgasten. Onvoorziene omstandigheden, kan gebeuren.

Maar dan lijkt het antwoord op een andere vraag ook niet helemaal te stroken met wat wij van tevoren hadden bedacht. De hoepel die wij een paar maanden daarvoor als droogrek voor scholletjes hadden aangezien, blijkt toch een hele andere functie te hebben. Bij de eerste foto die wij binnenkrijgen van een naast de hoepel rennende zwager rekenen wij het antwoord unaniem fout. Als er echter nog twee filmpjes volgen van andere groepen met precies dezelfde toepassing, beginnen we danig te twijfelen. Heel misschien hebben we toch wat over het hoofd gezien. Ook de palingrooktijd blijkt variabel. Waar ‘onze’ palingroker met grote stelligheid nog op 3 uur uitkwam, lijkt nu de tijd verkort te zijn. “2 uur” schrijft een tante, “2,5 uur voor een flinke paling” meldt een neef. Wie heeft gelijk? Of hangt dit wellicht af van de hoeveelheid mensen die staat te wachten op een vers gerookte aal?
Zuiderzeemuseum 4Als na een paar uur de antwoorden bij de opdracht met de selfie uitblijven, begint de twijfel toe te slaan. Is de deur er nog wel? In twee maanden tijd kan er een hoop gebeuren. Eén enthousiaste schilder en de meneer is verdwenen. Om er zeker van te zijn, verlaten we onze cappuccino en gaan op de zoek naar de selfie-locatie. We vinden deze verbazingwekkend snel en gelukkig blijkt de meneer nog precies dezelfde. Vorige keer alleen en verlaten, ditmaal in het gezelschap van twee, in witte schilderskleren van meerdere decennia geleden gestoken heren, die erg blij zijn met ons bezoekje. De selfie die we nog als hint voor de speurtochtzoekers maken, levert verbaasde blikken op. Een korte toelichting van onze kant maakt dat een van de mannen met ferme pas richting de deur loopt. “Deze hadden jullie zeker nog niet gezien?!” zegt hij triomfantelijk als hij de deur open doet. Aan de achterkant zit een gezicht verstopt. “Van een onderduiker uit de oorlog” licht de man toe. Als we dat hadden geweten, was de speurtocht nog een graadje moeilijker geworden. Het moet wel een uitdaging blijven, die familiedag.

En een uitdaging was het zeker, zowel voor de groepen als voor de organisatie. Waar we die ochtend nog visioenen hadden van rustig achterover leunen in de zon, blijkt de organisatie ter plekke toch ietwat anders. We moeten beslissingen nemen over foute antwoorden die toch weer goed blijken te zijn, of waarbij het nog steeds niet duidelijk is wat goed of fout is. We moeten twijfels het hoofd bieden over opdrachten die wellicht niet meer bestaan of vragen die onmogelijk te beantwoorden blijken. Het is een zware en verantwoordelijke taak als organisatie annex jury (enigszins vergemakkelijkt door de cappuccino’s, het zonnetje en het uitzicht op de zeilschepen op het IJsselmeer). Ik laat me volgend jaar dan ook graag verrassen door de creatieve geest van onze opvolgers. In 2016, het jaar waarin die legendarische wisseltrofee weer binnen handbereik komt.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Ik vertrek

Eerste shot: vader, moeder en hun drie kinderen staan op het Franse platteland / in de Oostenrijkse bergen / aan een Zweeds meer en kijken met een glimlach naar de bouwval die vóór komende zomer omgetoverd gaat worden in een bed & breakfast. Hun bed & breakfast. Een lang gekoesterde droom is in hun geestesoog al bewaarheid geworden. Hoe de werkelijkheid er echt uit ziet, zullen we het komende uur te weten komen. Wij, de ruim 1,5 miljoen kijkers die het programma Ik vertrek volgen.

Het gefilmde gezin is zeker niet het eerste dat deze stap waagt. Vele Nederlanders zijn hen voorgegaan – niet alleen de laatste decennia, vastgelegd door de camera – maar door de eeuwen heen. De rustzoekers, semigranten, expats en pioniers. Museum Flehite heeft er een hele tentoonstelling aan gewijd: Thuis in twee werelden. Aan de hand van de verhalen van 16 emigranten krijg je een beeld van een paar eeuwen Nederlandse emigratie.

Museum Flehite

Uiteraard is er het hedendaagse gezin te zien dat ‘vertrekt’. Je kunt zelfs een emigratie in progress volgen via de site van het museum. Een letterlijk ‘levend voorbeeld’. Maar ook is in de tentoonstelling het verhaal te lezen van pioniers als Wolfert van Kouwenhoven, die in 1625 de reis naar Amerika ondernam om daar een van de stichters van Nieuw-Amsterdam (het huidige New York) te worden. Een paar eeuwen later volgt Titia Bergsma haar echtgenoot naar Decima in 1817. Het eiland voor de kust van Japan, waar Nederland toentertijd het monopolie had op de handel met dat land. Zij zou de eerste blanke vrouw zijn die in het hermetisch afgesloten Japan woonde.

Ook mogen de verhalen over Nederlands-Indië niet ontbreken, gevolgd door wellicht de omvangrijkste emigratie die Nederland kende. Die in de jaren 50 van de vorige eeuw. Na de tweede wereldoorlog verlangden veel Nederlanders naar een beter leven. En velen van hen voegden de daad bij het woord. Tussen 1947 en 1963 vertrok meer dan 4% van de bevolking naar onder andere Canada, Australië en de Verenigde Staten. Iets dat door de regering in die jaren gestimuleerd werd.

“Een deel van ons volk moet het aandurven, zoals in vroeger eeuwen, zijn toekomst te zoeken in grotere gebieden dan eigen land.”

Nieuwjaarstoespraak minister-president Willem Drees, 1950

Op de bovenste verdieping van het museum wordt een video vertoond waarin twee van oorsprong Nederlandse dames geïnterviewd worden. Met hun kersverse echtgenoten verlieten ze als jonge twintigers het naoorlogse Nederland. Hoop op een beter leven dreef hen naar de andere kant van de oceaan. Iets waar ze nu, ver in de tachtig, nog steeds spijt van hebben.

Twee museumbezoeksters van vergelijkbare leeftijd strijken neer op het bankje voor het scherm. Aan hun reacties te horen is het een herkenbaar verhaal. De broer van een van hen is ook naar Canada vertrokken. Dat was moeilijk, heel moeilijk, zowel voor de emigranten als voor de thuisblijvers. De museumbezoekster is even stil, staart naar het scherm en laat haar herinneringen de revue passeren.

De zwart-wit foto’s, de boekjes, de brieven en andere spullen die hier verzameld zijn, zullen de komende maanden dit effect op nog wel meer bezoekers hebben. Gezien de vele mensen die vertrokken zijn, kent iedereen wel iemand. Ook mijn opa speelde met de gedachte om naar Canada te vertrekken in de naoorlogse jaren. Het was dat mijn oma haar familie niet achter wilde laten, anders was mijn familiegeschiedenis (en daarmee ook mijn eigen geschiedenis) heel anders verlopen.

Ben je ook benieuwd naar de verhalen van de 16 emigranten die de stap naar het onbekende gewaagd hebben? De tentoonstelling Thuis in twee werelden is nog tot en met 25 oktober 2015 te zien in Museum Flehite.

Met dank aan Lalagé voor de tip!

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Papieren wervelwinden

wpid-wp-1438416259378.jpegBoeken intrigeren. In welke vorm dan ook. Bibliotheken, boekhandels, ze hebben een aantrekkingskracht op me die moeilijk te weerstaan is. Later als ik groot ben wil ik ook een bibliotheek, dacht ik als middelbare scholier, als student en nu stiekem ook nog wel. Eén kamer vol met boeken. Tot aan het plafond, het liefst met zo’n trapje. En dan elke dag even door je eigen bibliotheek struinen, de ruggen aanraken, de geur opsnuiven. En natuurlijk lezen, heel veel lezen.

Dat boeken ook hele andere kunstuitingen kunnen dienen, bleek afgelopen weekend in het Noordbrabants Museum in Den Bosch. Regen en wind vormden samen code geel. Caravans werd geadviseerd niet de weg op te gaan, watersporters konden het beste thuis blijven en eigenlijk kon je je als gewone burger ook maar het beste met een boekje op de bank installeren. Wij trokken ons er niets van aan en reden naar het Brabantse om Den Bosch te ontdekken. Een museumbezoek mocht natuurlijk niet ontbreken.

Er was een hele zaal aan haar gewijd, aan Georgia Russell, Schotse en papierkunstenaar. Indrukwekkende kunstwerken stonden in de ruimte, lagen in de vitrines en hingen aan de muren en het plafond. Vele kleuren, meer en mindere mate van reliëf, diverse vormen. Je zag mensen een stapje naar voren doen, daarna een stapje naar achteren en nog een. Op een gegeven moment veranderden de papieren vormen dan in landschappen. Zoeken naar begrijpen veranderde in bewondering voor de details, voor het priegelwerk waar ongetwijfeld vele uren concentratie in zaten.
wpid-wp-1438416166561.jpegVerschillende soorten papier waren gebruikt. Stuk voor stuk omgetoverd tot kunstwerken. Wat mij echter het meest fascineerde waren de kunstwerken die ooit een boek waren geweest. Paysages Intérieur was nu getransformeerd tot een papieren wervelwind. Kleine boekjes deden aan kleedjes denken die wij vroeger uit vouwblaadjes knipten. Een groot, dik en ongetwijfeld oud boek was nog alleen herkenbaar als boek aan zijn rug. L’Africaine vermeldde het. De huidige vorm had ook wel wat weg van een Afrikaanse hoofdtooi. Zo’n versiering die je in documentaires over de binnenlanden van Afrika ziet. Op het hoofd van een rondspringend stamhoofd.

“Wat zonde!” schoot het door me heen. Dat boek had ook in mijn toekomstige bibliotheek kunnen staan. En die andere boeken met hun in helder rood geverfde bladzijden. Wat waren het voor boeken, wat voor kennis stond daarin, welke verhalen waarin je als lezer weg had kunnen dromen? Maar tegelijkertijd intrigeerde het. Het boek opnieuw in de belangstelling (want dat was er zeker) op een hele andere manier.

Op internet las ik later dat de kunstenaar hiermee het boek wil bevrijden van zijn verleden. Ze creëert een nieuw beeld met een nieuwe betekenis. Een mooie gedachte. Ik zou er zelf bijna een boek voor opofferen. Bijna. Maar op dit moment bewaar ik ze nog even, voor die bibliotheek, die ongetwijfeld een keer werkelijkheid wordt.

Wil jij ook geïntrigeerd raken door deze gewezen boeken? Bezoek dan de tentoonstelling Kunst met een scalpel in het Noordbrabants Museum. Deze is nog te zien tot 30 augustus 2015.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Surrealistisch klavecimbel

wpid-20150719_150222.jpgEen museumkaart geeft je de vrijheid om op een regenachtige zondagmiddag ‘even’ naar een museum te gaan. Je hoeft niet elk schilderij, iedere zaal uitgebreid te bekijken. Je kunt immers net zo makkelijk weer terugkomen. Meestal zonder entreekosten te betalen. Even de sfeer opsnuiven, door eeuwenoude kamers lopen, de nieuwe tijdelijke tentoonstelling zien. Of gewoon voor de cappuccino in het museumcafé.

Dit weekend togen wij voor ons museumuurtje naar Kasteel Het Nijenhuis in Wijhe. Afgelopen jaren struinden wij regelmatig door de beeldentuin. In een winters zonnetje stonden we naast koningin Wilhelmina (een beeld van Charlotte van Pallandt, 1968) of zagen onszelf bij een zomerse 30 graden omgekeerd terug in een immense roestvrijstalen bol (door Ronald A. Westerhuis, 2011). Het kasteel zelf was al weer een paar jaar geleden. Iets voor een regenachtige zondagmiddag.

En als je dan door die kamers loopt, word je weer aangenaam verrast. De sfeer, de geur, de enthousiaste medemuseumbezoekers, de regen die zachtjes tegen de hoge ramen tikt. Bekende maar ook nog niet eerder geziene kunstwerken. Al in de Oude Bibliotheek komen wij er duidelijk een uit de laatste categorie tegen. Nog voordat we de kamer binnen zijn, horen we al dat het om iets bijzonders gaat. “Een spinet of klavecimbel” horen we een oudere man zeggen. En na een pauze “maar deze is helemaal niet oud, ik ben ouder!”.

Het klavecimbel in kwestie is de blikvanger van de bibliotheek. In plaats van het gebruikelijke bruine hout is dit exemplaar uitgevoerd in mosgroen. Over de klep strekt zich een strand uit. In de verte verheffen zich kliffen. Donkere wolken schuiven voor de blauwe lucht of verdwijnen ze juist? Op een terras met uitzicht over zee bevinden zich twee figuren. De een liggend, in een wat ongemakkelijke positie, de ander maakt een beweging richting de zee. Op het onderstel rust een visje. De compositie, de kleuren, de figuren, alles doet denken aan de schilderijen van Salvador Dali.

Niet verrassend. De man die het instrument beschilderd heeft, wordt dan ook de meester van het vaderlands surrealisme genoemd. In 1975/1976 nam Joop Moesman (1909-1988) het door Gerrit Klop gebouwde instrument onder handen. Niet alleen beelden maar ook tekst sieren het klavecimbel. Op de zijkant lijkt een verwijzing naar het pianospel te staan: “De Rechterhand weet wat de Linker doet!” Ook teksten als “Muziek: niet om áán te horen voor wie niet luisteren kan” en “Kom op met je blote handen als je durft” leggen een speelse link naar het instrument. Tegeltjeswijsheid op niveau.

wpid-wp-1437556319543.jpeg
We zijn een tijdje blijven staan. Daar in de Oude Bibliotheek. Elke keer zagen we weer een nieuw detail. Dit wil je als je een museum bezoekt. Iets anders dan je verwacht, iets dat je intrigeert. Zeker als je maar een uurtje hebt. Eigenlijk had er iemand achter moeten zitten, achter het clavecimbel. Dan was de spreuk op de zijkant van het instrument helemaal van toepassing geweest:

“Merk toch hoe horen even zo vrolijk in zien vergaat als kijken in halfhartig luisteren”

Kasteel Het Nijenhuis maakt samen met Paleis a/d Blijmarkt in Zwolle deel uit van Museum De Fundatie.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Magisch-realisme op de Veluwe

1 november 2014 opende het Noord-Veluws Museum zijn deuren. Het trekt op de een of andere manier, zo’n nieuw museum. Ik vraag me altijd af in hoeverre het anders is dan de musea die er al zijn. Met wat voor origineels zal de bezoeker verrast worden? Een half jaar na opening treden ook wij in het voetspoor van inmiddels 6000 bezoekers en begeven ons richting Nunspeet.

“Een kunstmuseum, dat werk toont van Noord-Veluwse kunstenaars” staat er op de site te lezen. Onbewust denk ik dan meteen aan onbekende streekschilders, autodidacten, makers van naïeve kunst. Misschien dat het beeld dat de Veluwe oproept ook niet meewerkt. Het blijkt verrassend anders dan gedacht.

Zo’n 125 jaar geleden ontpopte Nunspeet zich namelijk tot een geliefd oord onder beeldende kunstenaars. Tussen 1890 en 1950 trekken kunstenaars uit verschillende delen van het land naar Nunspeet en Elspeet. Geïnspireerd door de omgeving schilderen ze ‘en plein air’ de taferelen en landschappen die ze zien. Zo’n 100 beeldende kunstenaars vormen samen een kunstenaarsdorp. Een verschijnsel dat je bijvoorbeeld ook in Bergen, Domburg en Laren zag. Bekende namen zijn Arthur Briët, Jan van Vuuren en Ben Viegers.

Hofje met pratende vrouwen - Ben Viegers
Hofje met pratende vrouwen – Ben Viegers

Deze laatste is een Haagse schilder (1886 – 1947) – een autodidact – die er met zijn kwasten en doek graag op uittrekt. Op de fiets en later op zijn Harley Davidson met zijspan is hij de hele dag op pad. Elke dag opnieuw. Zijn landschappen, stadgezichten en boerenerven zijn vaak zonnige taferelen, waarbij veel gespeeld wordt met zon en schaduw. Je voelt de warmte die de pratende vrouwen moeten voelen. Het is een impressionistische kunstenaar die ook wel ‘de spontane colorist’ genoemd wordt, “vanwege zijn vrolijk, zuidelijke kleurgebruik en rake snelle penseelstreek”.

Een aantal schilderijen van Viegers maakt deel uit van de vaste expositie over dit kunstenaarsdorp. Lopend door de tentoonstelling maken we kennis met zijn tijdgenoten en geraken ongemerkt steeds later in de tijd. De schilderijen die we zien veranderen echter niet wezenlijk en worden nog steeds gekenmerkt door het directe contact met de natuur en de romantische uitbeelding. Totdat we oog in oog staan met een compleet ander werk.

Landschap - Chris ten Bruggen Kate
Landschap – Chris ten Bruggen Kate

Het lijkt wel een illustratie uit een kinderboek, bij een sprookje of bij een Plint-gedicht op een grote poster. Alleen dan met een onheilspellend randje. Ergens voel je dat er iets niet klopt, iets staat te gebeuren. Net als zijn mede-kunstenaars schildert Chris ten Bruggen Kate (1920 – 2003) typisch Nederlandse landschappen. Alleen op zijn geheel eigen manier. Sterk vereenvoudigd, gestileerd haast, is de ruimte die de bezoeker ziet. Alles badend in een magisch licht. Nee, magisch-realisme had ik hier niet verwacht.

Viegers en Ten Bruggen Kate, allebei Noord-Veluwse schilders, allebei autodidact, allebei te vinden in het Noord-Veluws museum. Hun werken zijn op hun eigen manier intrigerend. Ze hielden me vast, lieten me net wat langer kijken. Het nieuwe museum herbergt interessante stukken. De kennismaking met de spontane colorist en met de vader van het gestileerd realisme was aangenaam en zeker voor herhaling vatbaar.

Meer informatie over het Noord-Veluws museum vind je op de site van het museum. Leuke tip voor de zomer is de fietsroute die langs de woon- en werkomgeving van de Nunspeetse schilders gaat. Je kunt hiervoor de gratis app ‘Route Noord Veluws museum’ downloaden of een fietsrouteboekje aanschaffen in het museum.

wpid-screenshot_2015-05-09-19-04-57.png

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Post uit de vergetelheid

Eén keer per jaar krijgt een relatief kort maar zeer bepalend deel van de geschiedenis weer extra aandacht. Zeker vandaag, op Bevrijdingsdag. Op Twitter verschijnen de zwart-wit foto’s van de mensen die het overleefd hebben. Magere jonge vrouwen met zijn drieën tegelijk achterop een overzeese motor. Op hun gezichten de ellende, de honger, vermengd met vreugde. Eindelijk is het voorbij. Sporadisch hoor je nog een ooggetuigenverslag. Over hoe de Canadezen de stad binnentrokken en de inwoners hen hun speciaal voor deze gebeurtenis bewaarde fles drank aanboden. Bewaard voor dat moment dat vaak zo ver weg leek.

Als zo’n 93-jarige man vertelt over 70 jaar geleden, komt het dichtbij. Hier is iemand die het meegemaakt heeft, een reliek uit vervlogen tijden. Zijn herinnering is de persoonlijke aanvulling op het geschiedenisboekje. Je krijgt de neiging om zoveel mogelijk informatie uit hem te trekken. Nu het nog kan. Over een paar jaar rest ons enkel nog de overlevering, doorverteld, opgeschreven.

Een bijzondere opgeschreven herinnering aan die periode is de komende tijd nog te zien in Museum Elburg. Op de eerste verdieping van het voormalige klooster is een tentoonstelling ingericht met de intrigerende naam Post uit de vergetelheid. Aan de hand van kaarten en brieven wordt een beeld geschetst van verschillende getto’s en concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Naast het interessante gegeven dat veel getto’s en kampen hun eigen postzegels en stempels hadden, passeren verschillende levens de revue. Sommige levens langer dan andere.

Zo wordt het leven van Emmy Cortissos verteld, aan de hand van enkele brieven. Haar eerste brief is gedateerd op 7 mei 1943:

Museum Elburg brief

“Beste Familie, Zooals je gehoord zult hebben, zit ik momenteel in de Schouwburg, Ga waarschijnlijk Maandagmiddag naar Westerbork. Doe nog alles wat mogelijk is. Bij voorbaat dank. Hartelijke Groeten.”

Emmy Cortissos is 31, getrouwd, moeder van een zoon en Joods. Ze zit al enkele jaren ondergedoken in Amsterdam als ze in het voorjaar van 1943 opgepakt wordt. Samen met vele anderen wordt ze naar de Hollandsche Schouwburg in de Plantagebuurt gebracht. Voorheen een populair theater, nu de plek waar Amsterdamse Joden zich moeten melden voor deportatie of onder dwang heen worden gebracht. Vanuit hier worden ze naar Vught of – zoals Emmy – naar Westerbork gevoerd.

Vele duizenden hebben deze gang gemaakt. Van velen wordt nooit meer wat gehoord. Van Emmy wel. Naast een briefje uit de Hollandsche Schouwburg is er ook een brief bewaard gebleven uit Westerbork. Op 17 mei 1943 schrijft ze “… staan gereed om morgen doorgestuurd te worden, maar ben erg flink en zal mij er wel door heen slaan er is nu eenmaal niets aan te doen het moest zeker zoo zijn.” Ze eindigt haar brief hoopvol: “Lieve Greet ik hoop dat de oorlog gauw afgelopen is en je weer gauw te zien”.

Haar laatste brief gooit ze op 18 mei 1943 uit de trein die onderweg is naar Sobibor. Onbekenden zorgen ervoor dat deze samen met andere gevonden brieven bij haar familie terecht komt. In haar brief beschrijft ze de situatie in de wagon en blijft hoopvol “we zitten met een gezellig clubje bij elkaar en moeten allemaal flink zijn”, maar tussen de regels door lees je de vrees voor het naderende einde. Ze eindigt haar brief met “tot spoedig weerziens in vrede er is nu niets aan te doen het noodlot was zoo”.

Drie dagen later, op 21 mei 1943, wordt ze vrijwel meteen na aankomst vermoord in Sobibor. Het is twee weken na haar eerste briefje uit de Hollandsche schouwburg. De oorlog zou nog bijna twee jaar voortduren. Een oorlog, vandaag 70 jaar geleden beëindigd. Een lange tijd, maar opeens heel dichtbij.

Emmy Cortissos met haar zoon in 1939
Emmy Cortissos met haar zoon in 1939

De tentoonstelling Post uit de vergetelheid is nog tot 20 juni 2015 te zien in Museum Elburg.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Gelieve aan te bellen

Afbeelding: bbcworldamsterdam.blogspot.nl
Afbeelding: bbcworldamsterdam.blogspot.nl

Den Haag, Javastraat nummer 17. Het oude huis ligt in de schaduw. We kijken naar een dichte deur. Gelieve aan te bellen! staat er op de koperkleurige plaat. Het eerste museum waar ik moet aanbellen, flitst er door mijn hoofd. Het voegt gelijk een extra dimensie toe. Even later zwaait de deur open. Een keurige, wat oudere dame staat in de deuropening. Glimlachend heet ze ons welkom in het Louis Couperus Museum.

Al jaren ben ik groot fan van de schrijver. De kennismaking kwam in een stroomversnelling toen ik in een ver verleden stage liep in een instituut in de Koninklijke Bibliotheek. Ik deed er vooronderzoek voor mijn scriptie die een recentere, doch niet minder grote, schrijver als onderwerp zou hebben: Willem Frederik Hermans. En passant hoorde ik er over het Louis Couperus Genootschap, het museum en de activiteiten die zij organiseerden. Couperus, hoewel toentertijd al ruim 75 jaar overleden, was nog springlevend. Hermans had weliswaar ook een eigen instituut, maar een museum, nee. Daar moest WFH in Louis Couperus zijn meerdere erkennen.

In het museum was ik nooit geweest. Tot deze zonnige zondagmiddag in april. We zijn de enige bezoekers. “Zal ik u kort iets vertellen over het museum?” vraagt de dame. Die kans laten we ons niet ontnemen. En terwijl de vrijwilligster vertelt over hoe het museum zijn huidige staat heeft verkregen, kijk ik om me heen. Een voor- en een achterkamer, groter is het museum niet. Verduisterde ramen, een bewerkt plafond. In enkele vitrines liggen eerste drukken van Couperus’ werken uitgestald. Achterin zit de schrijver zelf, achter zijn originele bureau.

Het museum draait op vrijwilligers en mag enkele duizenden bezoekers per jaar verwelkomen. Vandaag zijn zes bezoekers ons voorgegaan. Per jaar zijn er twee tentoonstellingen rond wisselende thema’s uit Couperus’ oeuvre. Op dit moment is Witte nachten te zien. Een expositie over de vriendschap tussen de kunstenaar Carel de Nerée tot Babberich en de schrijver Henri van Booven, en hun wederzijdse band met Louis Couperus.

Afbeelding: nl.wikipedia.org
Afbeelding: nl.wikipedia.org

“Kijkt u gerust rond”, besluit de vrijwilligster haar verhaal. “En wilt u misschien ook een kopje thee?”, voegt ze er aan toe, “Ik heb net gezet.” Hier zeggen wij geen nee op. In afwachting van de thee verkennen we het vertrek. Het is stil, de houten vloer kraakt bij elke stap die we zetten. Aan de muren hangen tekeningen van de hand van De Nerée. Ze zijn geïnspireerd door Couperus’ roman Extaze (1892). Ranke, tengere femmes fragiles in de stijl van het symbolisme hangen naast elkaar voor het drukke behang. Boeken en brieven van Van Booven, die na Couperus’ dood diens eerste biograaf zou worden, vullen de vitrines.

Na een rondje langs de expositie strijken we neer op oud ogende stoelen in de voorkamer. Op het kleine tafeltje ertussenin staat de thee, een schaaltje met paaseitjes ernaast. Vanachter zijn bureau staart Couperus ons aan. We laten de 19e eeuwse rust over ons heen komen, de blikken van de hoofdpersoon uit Extaze. Een boek dat, bedenk ik me later, een toepasselijke ondertitel heeft: Een boek van geluk.

De tentoonstelling Witte nachten is nog tot 10 mei 2015 te zien in het Louis Couperus Museum.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Een geschilderd muziekstuk

Victory Boogie Woogie
Victory Boogie Woogie (1942 – 1944) – Piet Mondriaan

Bij de pianolessen die ik als kind kreeg, waren de zogenaamde ‘Boogie Woogie stukken’ veruit favoriet. Eén zich herhalend opzwepend ritme met daar doorheen een vrolijke melodie. Talloze variaties en aansprekende namen als Haunted House Boogie, Worried Man Blues en Swingin’ Molly vormden een oefening in vingervlugheid en techniek. Af en toe speel ik ze nog, als onze piano genoeg lonkt.

Een tijdje geleden stond ik opeens oog in oog met een andere Boogie Woogie. In het niets lijkend op het oude vertrouwde muziekstuk. Wel bekend. Zeker bekend. Ik ken het nog als onderwerp van een van de nieuwsitems van jaren geleden. Misschien omdat mijn leraar Nederlands op de middelbare school zo graag uitweidde over de man. Meerdere lessen gedurende meerdere jaren vertelde hij passievol over de kunstenaar en zijn werken. Hij liet de bloeiende appelbomen zien die steeds abstracter werden. Het staat me nog goed bij.

En toen was het 1997. De leraar Nederlands behoorde tot een recent verleden. De Nederlandse Stichting Nationaal Fonds Kunstbezit koopt voor het astronomische bedrag van 82 miljoen gulden Victory Boogie Woogie (1942 – 1944) van Piet Mondriaan. De stichting gebruikt een schenking van De Nederlandsche Bank om het schilderij aan te kunnen kopen. Hiermee wordt het eigendom van de Staat der Nederlanden. Het is nu te bewonderen in het Gemeentemuseum Den Haag. En daar zag ik het ook, op een zonnige zondagochtend.

Het is een wonderlijk werk. En dan niet alleen de ruitvorm, maar ook de compositie. Geheel in de stijl van De Stijl bestaat het uit verschillende vlakken, rechte lijnen en primaire kleuren. Deze stijl van schilderen wordt ook wel het neoplasticisme genoemd. Mondriaan is er bekend mee geworden.

Maar Victory Boogie Woogie is meer, is anders. Als je goed kijkt – en dat kon heel goed in het museum – zie je dat er verschillende kleuren van één kleur zijn. Het ene geel net weer wat anders dan het andere geel, de blauwtinten donkerder en lichter, er zijn zelfs grijze vlakken. Ook de zwarte lijnen, zo kenmerkend voor zijn werk, ontbreken. Wat nog het meest opviel zijn de stukjes tape die op het schilderij zitten. Het is een werk dat nog niet af is. Mondriaan werkte er aan in de laatste dagen van zijn leven. Hij overleed voordat hij het kon voltooien.

Detail van Victory Boogie Woogie
Detail van Victory Boogie Woogie

De naam verwijst inderdaad naar de muziekstijl die Mondriaan in New York – zijn toenmalige woonplaats – leerde kennen. Volgens eigen zeggen wilde de schilder aansluiting zoeken bij de muziek door er “wat boogie woogie in te doen”. Er zijn mensen die zeggen dat de veelheid aan kleuren als het ware ‘door elkaar dansen’ en het loslaten van het netwerk van  lijnen een dynamisch tempo geven aan het schilderij. Eigenlijk zoals het een echte Boogie Woogie betaamt. En als titel zou Victory Boogie Woogie zeker niet misstaan tussen ‘Worried man’ en ‘Swingin’ Molly’.

Het zou me niet verbazen als het al bestond of binnen afzienbare tijd wordt geschreven.

Wil jij de Victory Boogie Woogie ook van dichtbij bekijken? Bezoek dan de vaste tentoonstelling Mondriaan & De Stijl in het Gemeentemuseum Den Haag.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.