Het eendaagse-stedentrip-museum

Kunstmuseum Pabla Picasso Münster

Een indrukwekkende trap strekt zich voor ons uit. De aarderode muren en de grote ramen doen de lichte treden nog beter uitkomen. Een enkele bezoeker klimt langzaam hoger en hoger naar de eerste tentoonstellingsruimte. Dit moet ik vastleggen, schiet er door mijn hoofd en ik pak mijn telefoon uit mijn tas.

Nadat het beeld op het scherm mijn goedkeuring kan wegdragen, zie ik beweging in mijn linkerooghoek. De suppoost die net onze kaartjes heeft gecontroleerd staat aan de voet van de trap te gebaren. Hij wijst naar de bordjes die naast hem hangen. Op een ervan staat een fototoestel met een streep erdoorheen.

Ik had ze wel gezien maar niet geregistreerd. Mijn medemuseumbezoeker draait zich naar de man toe en reageert met een grote glimlach. Hij spreekt de geruststellende woorden “Das war das letzte Foto”. De suppoost steekt zijn duim omhoog en lacht zijn tanden bloot. Het uniform herbergt onverwachte vriendelijkheid.

We bevinden ons op de Picassoplatz in het Duitse Münster en zijn toe aan het culturele deel van onze eendaagse stedentrip: een bezoek aan het Kunstmuseum Pablo Picasso Münster. Een jaar eerder voerde onze stedentrip-voor-een-dag ons naar Osnabrück, alwaar het Felix-Nussbaum-haus een verpletterende indruk maakte. Met hooggespannen verwachtingen beklimmen we nu de treden naar de werken van Henri Matisse.

In de schetsen die aan de muren hangen, wordt in enkele lijnen een gezicht uitgebeeld. Meerdere gezichten hangen naast elkaar, bijna hetzelfde. Een net wat andere uitdrukking. De lippen bestaan uit een enkele streek en zijn toch herkenbaar als mond. Ze bevatten een zwierigheid, deze beelden. De schetsen lijken een aanzet te vormen tot een melodie. Matisse was van mening dat een kunstenaar door dagelijks te oefenen “de hand tot zingen moet brengen”. Wat we aanschouwen zijn oefeningen, een basis voor een schilderij, de opzet voor een later kunstwerk.

Henri Matisse - Primavera (1938)
Henri Matisse – Primavera (1938) Afbeelding: abc.net.au

De meeste bezoekers houden een audio device aan hun oor en luisteren per tekening, litho of knipwerk naar het verhaal erachter. Wij zijn (niet geheel bewust) device-loos en hebben naast de schilderijtitel op het bordje naast het kunstwerk, ook de toelichtende teksten in dieprode en donkergrijze vlakken op de muren tot onze beschikking. En natuurlijk de kunstwerken zelf, die stuk voor stuk een verhaal vertellen.

Als we de trap verder bestijgen naar de bovenste tentoonstellingsruimte komen we bekendere werken tegen van de kunstenaar. Gele bladeren in een blauwe vlakte, die ook als kerkramen vervaardigd zijn, papierknipwerken, illustraties met gedichten. Dit is waar we Matisse van kennen. Interessant om deze werken nu eens in het echt te aanschouwen. Hij laat weinig ruimte over voor de naamgever van dit museum. Letterlijk. Picasso is in slechts een paar ruimten terug te vinden.

In minder dan een uur hebben we de twee verdiepingen gezien en vangen de afdaling aan. We groeten de inmiddels een stuk jonger en slanker geworden suppoost onderaan de trap. En tussen suppoost en kluisje is daar onvermijdelijk de vergelijking met het eendaagse-stedentrip-museum van een jaar geleden. Was het even indrukwekkend, vragen we ons af. Zijn we flabbergasted en toe aan een cappuccino? Nee, concluderen we beide, hoewel die cappuccino er altijd wel in gaat. Het is een interessante tentoonstelling, maar van een hele andere orde dan het Felix- Nussbaum-haus.

Misschien is het ook niet met elkaar te vergelijken: een tijdelijke tentoonstelling van twee verdiepingen en een gebouw, levensverhaal en schilderijen die met elkaar vervloeien. Mijmerend over de geziene werken, bevinden we ons weer op de keitjes van de Picassoplatz en besluiten op zoek te gaan naar een niet noodzakelijke, doch zeer welkome cappuccino.

Matisse - Die Hand zum singen bringen
Afbeelding: kunstmuseum-picasso-muenster.de

Ook benieuwd naar de tentoonstelling ‘Matisse – Die Hand zum Singen bringen’? De kunstwerken zijn nog te zien tot en met 29 januari 2017 in Kunstmuseum Pablo Picasso Münster.

Advertenties

Strandstoelen, sups en een oorlogsschip

Deense fietsvakantie #3

In juni 2016 fietsen we anderhalve week al eiland hoppend door Denemarken. Ons Deense avontuur begint in het Duitse Flensburg, waar de trein ons en onze fietsen in ruim 9 uur heen brengt. Via zuidelijk Jutland, Als, het zuiden van Fyn, Tåsinge, Langeland, Lolland, Falster en Bogø komen we uiteindelijk op Møn aan. Onze meest oostelijke bestemming. Terug op Lolland steken we over naar Noord-Duitsland, alwaar we in Lübeck de trein weer terug pakken naar Nederland.

Onderweg genieten we van het Deense landschap, hebben allerlei ontmoetingen en beleven dingen die je van tevoren niet bedenkt. De komende tijd kun je hier een greep uit die belevenissen lezen, in willekeurige volgorde.

Te voet/te fiets: Te fiets
Route: Van Fehmarnsund via de Oostzeekustroute naar Lübeck
De Oostzeekustroute – ook wel Ostseeküsten-Radweg, Baltic Sea Cycle Route of EuroVelo 10 genoemd – volgt bijna 8000 km lang de kust van de Oostzee. De route gaat door Duitsland, Polen, Litouwen, Letland, Estland, Rusland, Finland, Zweden en Denemarken. Wij rijden er 100 km van, in de Duitse deelstaat Schleswig-Holstein.
Afstand: 102 km
Startpunt: Fehmarnsund op het Oostzee-eiland Fehmarn (Duitsland)
Eindpunt: Lübeck (Duitsland)

Oostzeekustroute van Fehmarnsund naar Lübeck
Oostzeekustroute van Fehmarnsund naar Lübeck

We worden wakker in een oude caravan met een inrichting die sinds de jaren 70 niet meer is veranderd. Dagen later ruik ik nog de muffe geur die in mijn slaapzak is achtergebleven. Het matras ligt echter prima en onze telefoons en batterijen voor de GPS zijn weer helemaal opgeladen. Het animatieteam dat over een paar dagen zijn intrek neemt in dit stulpje heeft niks te klagen. Wij ook niet, en de overnachting was kosteloos.

Gisteren kwamen we na een lange dag fietsen op deze camping aan. Onze laatste dag Denemarken was er een met veel (tegen)wind, lange rechte wegen en uiteindelijk de haven van Rødby. Wachtend op de veerboot die ons naar het Duitse Puttgarden zou brengen, blikten we terug op een zonnige, mooie week in Denemarken. Het Scandinavische land had ons aangenaam verrast. Nu op zoek naar een Duitse camping.

Die camping vinden we in Fehmarnsund pal aan de Oostzee, waar de campingmevrouw ons geheel onverwacht een gratis overnachting in een caravan aanbiedt. “De nachten zijn koud” geeft ze als verklaring. Misschien dat onze volgepakte fietsen en de sporen van een lange dag op onze gezichten mee hebben  gespeeld.

De volgende ochtend vertrekken we vroeg. We hebben aardig wat kilometers voor de boeg. We willen vandaag Lübeck halen om morgen de trein terug te pakken naar Nederland. Na een blik op de kaart besluiten we de Ostseeküsten-Radweg te volgen. Buiten de camping zien we een klein vierkant bordje met ‘Ostseeküsten-Radweg’ onder de richtingaanwijzer hangen. Het is nu een kwestie van bordjes volgen. Dat blijkt echter niet zo eenvoudig.

Ostseeküsten-Radweg
Aanvankelijk gaat het goed. Over de hoge Fehmarnsundbrücke steken we de zee-engte tussen Fehmarn en het vasteland over. Door het hoge gras aan weerszijden van het fietspad blijft er slechts een smalle strook weg over. Het lijkt wel een single track op een mountainbike parcours. Onze fietstassen raken continu het gras, waardoor we ongewild een breder pad banen voor de fietsers die na ons komen. Het weerhoudt ons er niet van om te genieten van het uitzicht over de Oostzee. Het ochtendzonnetje doet het water glinsteren.

De route voert ons door een glooiend landschap met akkers en boerderijen. De zee is nooit ver weg, getuige de vele richtingaanwijzers naar uitspanningen en campings. We zien hem echter pas na 25 kilometer weer, azuurblauw en zomers. Deze afwisseling van kust en binnenland maakt de Oostzeekustroute zeer aantrekkelijk. Verandering van spijs doet eten.

Even een pauze om de kaart te raadplegen
Even een pauze om de kaart te raadplegen

Aan de kust zijn we niet de enige. Hoewel het een doordeweekse dag in juni is, hebben vele mensen de weg naar het strand gevonden. Ook de fietspaden zijn goed bezet. We passeren dagjesmensen maar ook vakantiefietsers, veel vakantiefietsers. In 10 minuten Oostzeekustroute komen we er al meer tegen dan in een week Denemarken.

Als we in een grotere plaats komen, raken we de routebordjes kwijt. Een GPS-route was nu wel handig geweest. We fietsen maar naar het zuiden en pikken uiteindelijk weer de route op. In de volgende plaats is het weer hetzelfde verhaal. We maken zo heel wat extra kilometers maar komen ook een bakkerij met heerlijke broodjes tegen. Op het terras bepalen we opnieuw onze richting. Het zal niet de laatste keer zijn.

In de middag stoppen we voor bloedsinaasappelschepijs. Op een muurtje kijken we uit over zee. Er komt een kano langs en een supper. Staand op zijn sup-board beweegt de jongen zich met soepele slagen voort en is binnen no-time uit ons gezichtsveld verdwenen. De typisch Duitse strandstoelen staan netjes in rijen opgesteld. In de verte ligt een oorlogsschip. Het vormt een vreemd contrast.

Typisch Duitse strandstoelen
Typisch Duitse strandstoelen

Aan het einde van de dag bereiken we de buitenwijken van Lübeck. De GPS is ingesteld op het station en verkeerslicht na verkeerslicht naderen we het centrum van deze Hanzestad. Wachtend voor één van deze verkeerslichten stopt er een oudere dame naast mij. Na een goedkeurende blik op onze bepakte fietsen vraagt ze waar wij heengaan. “We zijn er al”, zeg ik, “Lübeck”. Ze glimlacht en steekt haar duim omhoog. “Was ik nog maar jong” denk ik haar te horen mompelen. Dan springt het licht op groen. “Nog een mooie avond in mijn stad” roept ze ons na.

Deze fietstocht telt mee voor de uitdaging Elke Maand Een Route 2016

Museum zonder uitgang

Felix Nussbaum HausMet een zacht zoef-geluid zwaait de zware deur open. Dik staal, zonder handgreep. Het lijkt wel een kluisdeur, of de toegangsdeur van een gevangenis. Achter de deur strekt zich een lange gang uit. Betonnen wanden, betonnen vloeren, licht hellend, geen ramen, spaarzaam licht. Helemaal aan het einde flitsen zwart-wit beelden, geprojecteerd op de achterwand. Een geluid dendert door de gang en sterft weg. Het lijkt wel alsof er een goederentrein voorbij rijdt. Langzaam lopen we de gang in. Achter ons horen we de deur met een plof dichtvallen.

We bevinden ons in het Felix-Nussbaum-haus in Osnabrück. Een museum gewijd aan de werken van de gelijknamige schilder en illustrator. We brengen er uiteindelijk twee uur door. Niet alleen gegrepen door de schilderijen van deze man, maar ook door zijn verhaal en bovendien door het gebouw dat feilloos lijkt te passen bij hetgeen het museum wil vertellen.

We waren er op de juiste dag, grijs en koud. In veel zalen waren wij de enige bezoeker. De intense stilte met in de verte af en toe de goederentrein, onze voetstappen op de betonnen vloeren. De schuine, welhaast willekeurige neergezette scheidingswanden. De rasters in de vloeren waardoor je de verdieping onder je kon zien. Het droeg allemaal bij aan het gevoel van uitzichtloosheid, desoriëntatie, machteloosheid en bij tijd en wijle van onderdrukking, van gevangenschap. De tweede wereldoorlog kwam wel heel dichtbij. Felix Nussbaum HausDe Joodse Felix Nussbaum wordt in 1904 geboren in Osnabrück en wordt met liefde voor de kunst groot gebracht. Hij begint zijn carrière als schilder in Berlijn waar hij schilderkunst studeert. Hij wint een studiebeurs voor de Villa Massimo in Rome en vertrekt in 1932 naar Italië. Hij zou nooit meer terugkeren naar Duitsland. De Duitse anti-Joodse maatregelen missen hun invloed niet op het Italië van Mussollini. In 1933 wordt Nussbaum uit de Villa Massimo gezet en komt hij via omzwervingen in België terecht. Hier leeft hij jarenlang onder voortdurende bedreiging. Totdat hij in de zomer van 1944 samen met zijn vrouw wordt opgepakt en uiteindelijk in Auschwitz wordt vermoord. Hij is dan 39 jaar oud.

In zijn werken zie je zijn veranderende leven voorbij komen. In een eigen naïef-nieuwzakelijke stijl schildert hij aanvankelijk hedendaagse taferelen (zijn ouders, vrienden), waarin hij zijn eigen werkelijkheid probeert te stoppen. Later echter spreekt er steeds meer een grimmige sfeer uit zijn werk, zoals bij zijn zelfportret met de gele ster. Op het laatst komt het besef dat hij zal sterven sterk naar voren en worden zijn werken bevolkt door skeletten.  Afbeeldingen: osnabrueck.de en wikipedia.com

Afbeeldingen: osnabrueck.de en wikipedia.com

Het museum wordt in 1998 opgericht en in 2011 in zijn huidige vorm opgeleverd. De Amerikaanse architect Daniel Libeskind, zoon van Holocaust-overlevenden, is verantwoordelijk voor het ontwerp. Voor hem is architectuur communicatieve kunst. In 2002 in The New Statesman zegt hij hierover:

“Maar al te vaak wordt architectuur […] als nietszeggend beschouwd. Gebouwen worden gezien als vrij ter beschikking staande gebruiksvoorwerpen, met als enig doel om te verdwijnen achter het gebruik dat van hen gemaakt wordt. […] Ik ben vastbesloten om af te komen van dit al te zeer vereenvoudigde standpunt over de traditie van de architectuur.”

Het Felix-Nussbaum-Haus is het eerste gebouw van Libeskind, dat wordt voltooid. Hij noemt het ‘Museum zonder uitgang’. Zijn standpunt is hier heel duidelijk te zien. Het gebouw bepaalt mede de sfeer in dit museum. Ik was eerder in het ook door Libeskind ontworpen Jüdisches Museum in Berlijn. Op de een of andere manier roept dit dezelfde atmosfeer op. Dezelfde typerende schuine wanden, hoekige nissen. Het onderwerp zal hier natuurlijk ook een rol bij spelen. Een ander bekend ontwerp van Libeskind is dat van 1 World Trade Center op Ground Zero in New York.  Felix Nussbaum HausAls we na twee uur weer bij de kluisjes in de kelder komen, die overigens ook helemaal in de stijl van het gebouw zijn, besluiten we de koffie in het museum over te slaan. En in de oude binnenstad van Osnabrück een koffiebarretje op te zoeken. Even een andere atmosfeer. De bijna letterlijke rillingen kwijtraken. Het doet wat met je, dit museum. Ik stapte naar binnen met het idee om voor de Elke Maand Een Museum-uitdaging het buitenlandse museum van mijn lijstje af te strepen. Ik stapte eruit met een overweldigend gevoel. Dit was verreweg het indrukwekkendste museum dat ik dit jaar gezien heb. De museumfolder beschrijft het heel goed:

“Kunst blijft hier geen zuiver visuele ervaring, maar is ook subtiel op andere niveaus aanwezig.”

Wil je ook het Felix-Nussbaum-Haus ervaren? Osnabrück ligt slechts 80 km van de Nederlandse grens en is ook per trein goed te bereiken. Vanaf het museum loop je zo het oude centrum in met leuke koffiebarretjes, veel winkels en heel veel andere musea.

Dit museumbezoek telt mee voor de uitdaging ‘Elke maand een museum‘.

Horror etappe

Zomaar een dag uit onze fietsvakantie naar de Bodensee #3

Uit: 'Reitsma's Route naar Rome (2011) door Hans Reitsma
Uit: ‘Reitsma’s Route naar Rome’ (2011) door Hans Reitsma

Van de fiets naar de tent is op kunstige wijze een waslijn gespannen. Kleurige shirts, fietsbroeken en lichtgewicht handdoeken bewegen zachtjes in de wind. Een aarzelend zonnetje doet zijn best om de met dauw bedekte tent droog te krijgen. Ernaast staan de gele Ortliebtassen netjes op een rijtje. Hun eigenaren zitten ervoor. Met verse broodjes en een kop koffie nemen zij het er nog even van. Zo direct moeten ze weer aan de bak. 80 of 90 kilometer is geen uitzondering voor de doorgewinterde vakantiefietser.

En dat geldt ook voor ons. Schertsend hadden we het de horror etappe genoemd: de etappe met de eerste serieuze langere klim. De Schwäbische Alb is zeker geen Mont Ventoux, maar vervult mij al maanden met een zeker ontzag. Thuis had het oneindig ver weg geleken. ‘Tegen die tijd hebben we genoeg conditie opgebouwd’ was de gedachte. Een paar dagen geleden echter, toen de eerste klimmetjes zich aandienden, liet ik die gedachte snel varen. Dat viel tegen! Hellingen van 11% leken onneembaar. Wat was er met mijn zorgvuldig opgebouwde conditie gebeurd? De trein als alternatief leek opeens heel aantrekkelijk.

We zijn inmiddels een paar fietsdagen verder, hebben de nodige klimmetjes gehad en het zelfvertrouwen is terug. Die Schwäbische Alb, die volgens het routeboekje “als een onverbiddelijke muur boven de stad oprijst”, gaan we doen. Op de fiets. Net als onze buren die dezelfde route blijken te fietsen. Met “je ziet ons wel ergens uitgeput langs de weg liggen” nemen ze afscheid. Voor de top zouden we ze niet meer zien.

Als ook wij de camping verlaten, worden de eerste caravankampeerders wakker. Het is nog vroeg, we kunnen rustig aan doen. Het drukke verkeer van Tübingen laten we al snel achter ons en binnen een paar kilometer fietsen we op landelijke weggetjes. Ik verwacht elk moment ‘de muur’ te zien, maar glooiende korenvelden bepalen het beeld. Ik vind het best en peddel rustig het vals plat op dat volgens het boekje de opmaat is voor de stijging die komen gaat.

Stijgingen die in het routeboekje aangegeven worden met duidelijke symbolen. Lichte stijgingen met een ‘>’, zwaardere stijgingen met een ‘>>’ en hele zware met een ‘>‘. De afgelopen dagen zijn ze door mijn medefietser liefkozend omgedoopt tot éénvinkers, tweevinkers en dikstrepers. De laatste twee zijn vandaag in de meerderheid en af en toe hoor ik naast me: “de komende twee kilometer een tweevinker”. De klim is duidelijk begonnen.

Bepakt en bezakt fietsen we door kleine dorpjes. We worden ingehaald door snelle racefietsers die ons bemoedigend toeroepen. De weg stijgt langzaam. “Nu begint de klim pas echt” meldt mijn medefietser op een gegeven moment, met een grijns vooruit wijzend. Voor ons strekt de asfaltweg zich uit het bos in. In de verte de eerste haarspeldbocht. We knikken elkaar toe, dit gaan we doen. Achter elkaar fietsen we omhoog. Auto’s, motors en een enkele vrachtauto zoeven voorbij. Dankbaar voor de schaduw die de bomen bieden, veeg ik desalniettemin de zweetdruppeltjes van mijn voorhoofd. 29 graden zou het worden vandaag, eigenlijk geen weer om een berg te beklimmen.

Na de bocht een pauze, wat drinken, wat eten, en verder. Dit valt nog mee, flitst er door mijn hoofd. Waar blijven die 11% hellingen? Niet aan denken, door. Gestaag gaat het verder. “Nog twee tweevinkers en een dikstreper en dan zijn we boven”, hoor ik voor me. We ronden een volgende haarspeldbocht en nog een. Doortrappen, kleinste blad, slokje water, zweetdruppels, trappen. En dan rijden we, toch nog onverwachts, een zonovergoten vlakte op. Bergweiden strekken zich uit, bruine koeien sjokken traag door het landschap. Een pittoresk kerkje maakt het geheel compleet. We zijn boven!

Mijn medefietser haalt een thermoskan tevoorschijn en schenkt koffie in. We toasten op onze overwinning en kijken met een tevreden gevoel om ons heen. Een lange afdaling ligt voor ons, “met nog een paar gemene klimmetjes”. Dat dan weer wel. Maar die overwinnen we ook wel weer. We hebben immers de Schwäbische Alb beklommen. Op de fiets!

Montag Ruhetag

Zomaar een dag uit onze fietsvakantie naar de Bodensee #2

Korenveld regenHet ontbijt is traditioneel Duits met harde broodjes, een keur aan vleeswaren en kazen, zoet beleg en allerlei yoghurtsoorten. Daar kan de slappe boterham thuis niet tegenop. Na een laatste kopje thee hijsen we ons in onze regenponcho’s en beklimmen onze zwaarbeladen fietsen. Maar 60 km vandaag, hebben we besloten. Met de nodige cappuccino’s om warm te worden. Kuchen zijn zeker niet uitgesloten. We gaan vandaag de Rijn zien.

De voorspellingen voor vandaag waren niet goed geweest. Weeronline liet al dagen donkere wolkjes met drie drupjes zien. De avond ervoor, op een zonovergoten terras, twijfelden we: gaan we fietsen of lassen we een rustdag in, in dit kleine historische stadje? Maar we waren nog maar vier dagen onderweg, dan wil je door. Dan wil je in the flow blijven. Daarnaast, het enige museum in de stad was op maandag dicht, het hotel was niet je-van-het en ruïnes bezoeken in de regen klonk ook niet heel aantrekkelijk. De waterdichte fietstassen, de regenponcho’s, de speciaal aangeschafte waterdichte overschoenen en de belofte van een majestueuze stroom te midden van imposante heuvels trokken ons uiteindelijk over de streep.

Al gauw fietsen we het stadje uit. De regen valt mee en eigenlijk liggen de glooiende natte velden er best wel idyllisch bij. Alleen die cappuccino, die is in geen velden of wegen te bekennen… In plaats van een warme Konditorei nemen we na de eerste 20 km genoegen met een viaduct, een slokje water en een sultana. Het fietsrouteboekje wordt zorgvuldig bestudeerd. Waar staat het eerstvolgende gestileerde kopje koffie ingetekend? Welke cappuccinorijke plaatsjes liggen er op de route? De vooruitzichten blijken goed. Binnen afzienbare tijd zouden we door meerdere dorpjes komen en ook een treinstation heeft een zwart kopje achter zijn naam staan, waar de damp nog vanaf lijkt te slaan. “Vóór de lunch moet het gaan lukken”, zegt mijn medefietser optimistisch.

Drie uur later zitten we op de trappen van een klein kerkje in een gehucht waarvan de naam mij niet is bijgebleven. In tegenstelling tot andere kerken is er geen afdakje, zelfs geen richeltje dat ons maar een beetje kan beschermen tegen de regen. De zachte, ja bijna gemoedelijke, druppen van vanmorgen waren inmiddels overgegaan in de regen die ik mij had voorgesteld bij de donkere wolkjes en drie drupjes van Weeronline. Gestaag valt het grijze gordijn op de verlaten straten. Verscholen in onze poncho’s maken we de laatste Nederlandse krentenbollen soldaat. In onze gedachten lijkt een warme cappuccino oneindig ver weg.

Jazeker, we waren ze wel tegengekomen, de dorpjes en zelfs het station die er onder het viaduct nog zo veelbelovend uit hadden gezien. Achter de zwarte kopjes – en zelfs een mes en vorkje – op de kaart gingen cafés, Gästehäuser en cafetaria’s schuil die echter allemaal hetzelfde bordje op hun deur hadden hangen: “Montag Ruhetag”.

De krentenbollen zijn op, verder maar weer. Door dichte bossen waar je in vroeger tijden zo een keurvorst tegen het lijf kon lopen, jagend op klein wild. Over heuvels die hun naam steeds meer lijken te verdienen. De eerste klimmetjes van deze fietsvakantie doen we met de capuchon van onze poncho half voor onze ogen. We kruisen grotere wegen, moeten zelfs wachten totdat de stroom auto’s ons doorlaat. En voor we het weten zitten we in een afdaling. Met heuse haarspeldbochten. De Rijn kan nu niet ver meer zijn. Met flapperende poncho’s en verkrampte vingers van het remmen groeten we andere vakantiefietsers die langzaam omhoog fietsen. In sandalen en zonder regenkleding beantwoordt het stel opvallend fris onze groet.

Anderhalf uur later wandelen we gedoucht en in droge kleren door de natte straten van Remagen, een historisch stadje aan de Rijn. Het centrum is gezellig druk. Het miezert nog wat. Voor ons ligt de door onze B&B-eigenaar aangeraden bakkerij Müller. “Al het brood en gebak wordt nog met de hand gemaakt en ze schenken de heerlijkste cappuccino’s. Mochten jullie daar zin in hebben”.

Het zeswoordenverhaal: Erfgoed

Zülpich, Duitsland
Zülpich, Duitsland

“Hoor ik daar een prins aankomen?”

 

Op de site van Doldriest staat de schrijfuitdaging ‘Verhaal in zes woorden met beeld’.

“Schrijf een verhaal in slechts zes woorden. Laat je inspireren door een foto of afbeelding en schrijf daar je verhaal bij. Of bedenk eerst zes woorden en maak/zoek dan een foto.”

Het thema van deze keer is Erfgoed. Het sprookje mag hierin niet ontbreken. Tijdens onze vakantie in Duitsland kwamen we door Zülpich. Een van oorsprong Romeins stadje met onder andere deze toren. De donkere wolken die zich op dat moment samenpakten boven de heuvels in de verte, verlicht door de laatste zonnestralen en de rozen in de bijbehorende tuin gaven het geheel een sprookjesachtige sfeer. Doornroosje of Rapunzel hadden niet misstaan in deze setting. Beide misschien nog wel ouder dan de toren zelf.

Levend standbeeld

Zomaar een dag uit onze fietsvakantie naar de Bodensee #1

Levend standbeeld“Schaduw!” Met een snelwandelloopje bereikt hij de stoelen die uit de zon zijn opgesteld. De lommerrijke bomen doen hun werk en laten nauwelijks zonlicht door. Een hoorbare zucht ontsnapt hem als hij neerploft naast alle andere schaduwzoekers. Nauwelijks een week  geleden snakten we hevig naar de koperen ploert, zijn warmte bestond slechts in een herinnering van maanden geleden. Nu lijken die paar dagen boven de 30 graden al eindeloos. Hoe wonderlijk werkt de menselijke geest.

Voor ons ligt het meer, de overkant heiig, slechts vage contouren. Zeilbootjes dobberen op het water, tussendoor schieten kano’s, waterfietsen. Het water lijkt groen, aantrekkelijk. Het hoogseizoen is begonnen en de boulevard is druk. Mensen in alle soorten en maten lopen, haasten zich, slenteren, flaneren en worden voortgeduwd. Alle kanten op, naar de oude stad en naar de veerboten. De schaduwstoelen staan op een ideale plek voor uitgebreide observaties.

Midden in de menigte vormt zich een groep. Er ontstaat rumoer. Mensen lachen verrast. Ik zie het standbeeld dat me eerder nog niet was opgevallen, een buiging maken. Met zijn arm maakt hij een sierlijke beweging, zoals je de mannen in kostuumdrama’s wel ziet doen. Hij reikt naar de hand van de oudere mevrouw, die net een muntje in het kistje voor zijn sokkel geworpen heeft. Verbaasd laat ze het toe. De handkus veroorzaakt nog meer verraste lachjes, nu ook van de omstanders.

Nog geen seconde later richt het standbeeld zich in een trage beweging weer op en blijft in zijn onbeweeglijke pose staan. Ogen dicht onder zijn sierlijke hoed, zijn rechterhand op zijn revers, zijn linker een gouden staf omklemmend. Half blozend werpt de mevrouw nog een blik op haar handkusser. Als ze geen beweging meer bespeurt, loopt ze door. Haar witbenige man in korte kakibroek, ruitoverhemd en zonnehoedje in haar kielzog.

En de film die zich voor onze ogen afspeelt, gaat door. De volgende potentiële klanten komen al weer aanlopen. Meisjes van een jaar of 14, met z’n zevenen tegelijk. Hele korte korte broeken, flodderige shirts, zoals de laatste mode voorschrijft. Nieuwsgierig nemen ze het witte beeld op dat boven hen uittorent. “Is hij echt?”, lijken ze nog te denken. Giechelend stoten ze elkaar aan. “Jij!” “Nee, jij moet het doen!” De stoerste van het stel stapt uiteindelijk naar voren en gooit het muntje in het kistje.

Het tafereel herhaalt zich in precies dezelfde bewegingen. Wat net nog origineel had geleken verwordt nu al tot een cliché. Productiewerk op een sokkel in de zon. Maar de meisjes vinden het geweldig. De gilletjes zijn niet van de lucht. Ze staan welhaast te springen van plezier. Eindelijk gebeurt er wat in dit ingeslapen plaatsje. Met zijn saaie boten op het meer, en de oude mensen op de terrassen. Hier is niks te beleven voor hippe mensen zoals zij. En het is nog maar half 11. Ze moeten nog de hele dag!

Ik zie het volgende meisje haar portemonnee tevoorschijn halen. Een herhaling van stappen volgt. Het standbeeld blijft onverstoorbaar en eindigt weer in zijn starre houding. Ook hij moet nog de hele dag. Arme man, in deze hitte, met al die lagen schmink. Wat zijn dat voor mensen die dit doen? Gewezen acteurs, mislukte straatmuzikanten of is dit werk slechts weggelegd voor de echt bevlogen personen, de gepassioneerde kunstenaars?

Een half uurtje geleden, toen wij ook nog deel uitmaakten van de slenterende boulevardmenigte, zag ik een witte man in de schaduw van de middeleeuwse toren zitten. Op de uitgesleten treden genoot hij zichtbaar van de literfles cola die hij gretig achterover sloeg. De arm die de fles vasthield was opvallend bruin en leek niet helemaal bij de rest van zijn lichaam te horen.

Het bleek een standbeeld vermomd als mens.