Over moestuinieren

Over De groene overmacht van Maarten ’t Hart (2004)

De groene overmacht Maarten 't Hart
Een paar jaar geleden was ik groot fan van de televisieserie Maartens moestuin waarin de schrijver elke aflevering gedurende een jaar wordt gevolgd bij het planten, oogsten en bereiden van een bepaalde groente. Zijn moestuin is gelegen op de zware zeeklei, dat maakt het een vak apart. De klassieke muziek, zijn houten kas en het feit dat je vanuit een zaadje de meest wonderlijke groenten kunt kweken, spraken me erg aan. Regelmatig citeert hij uit een boek, ook zijn eigen boek over moestuinieren. Die moet ik lezen, besloot ik toen.

We zijn inmiddels twee jaar verder. Een paar weken geleden las ik eindelijk De groene overmacht, een serie kostelijke columns die grotendeels eerder verschenen in het NRC Handelsblad. De bundel is mooi vormgegeven in een groot formaat boek. Tussen de columns door staan af en toe zwart-wit tekeningen van Peter Vos in de stijl van de omslag. De tuinierder aan het werk, niet meer te onderscheiden van de planten in zijn tuin.

Tekeningen van Peter Vos in 'De groene overmacht'
Tekeningen van Peter Vos in ‘De groene overmacht’

Ik lees de columns met uitzicht op een aantal tomatenplanten met tomaten die elk moment hun uiteindelijke kleur kunnen aannemen. Het boek stelt niet teleur, integendeel. Wat kan de man humoristisch schrijven over groente. De zoon van een tuinder behandelt onderwerpen die menig moestuinierder wel eens uit zijn slaap hebben gehouden: het weer, ongedierte, onkruid en plantenziekten. Hij vertelt over mollen, slakken, over knopkruid. Hij brengt welhaast een ode aan crosne, een vergeten groente die in zijn tuin geen succes is. En als je over zijn geiten Adu en Jozef leest zie je de beesten rondlopen. De een zachtaardig, zwijgzaam en vraatzuchtig, de ander gewelddadig, treurig en zeer spraakzaam.

In de columns haalt ’t Hart regelmatig andere schrijvers aan. Auteurs van nieuwe en oudere boeken over ’s lands flora en fauna, vergeten groente en fruitteelt, waarmee hij het lang niet altijd eens is. Maar ook Schopenhauer passeert de revue, Simon Vestdijk en Geert Mak. Zij vormen een inspiratie maar ook een ergernis. In verrassend veel romans staan zaken over planten geschreven die niet kloppen. Althans niet in de ogen van ’t Hart. Hij schroomt dan ook niet om deze in zijn columns uitgebreid te behandelen.

Het maakt de bundel tot meer dan enkel een boek over tuinieren. ’t Hart toont de lezer een inkijkje in zijn gedachtewereld. Een wereld die door alle onverwachte gebeurtenissen in een moestuin, altijd voldoende input blijft houden. Het inspireert hem, maar mij ook.

Na het lezen van Het compostcirculatieplan (2016) van Anton Valens was ik ervan overtuigd geen volkstuin te willen. Nu ben ik blij met de tomatenplanten die welig tieren in mijn achtertuin. Wie weet komt er volgend jaar wel een bonenplant bij, of een aardappelplant, of misschien zelfs wel crosne. Onze tuin ligt niet op de zware zeeklei. Maar met de tips die ’t Hart erbij geeft, moet een extra groenteplant zeker lukken.

Eilandboeken

Op pagina 57 van de nieuwe verhalenbundel Gezellige verhalen (2015) van Marente de Moor kom ik het woord weer tegen dat me afgelopen tijd vaker is opgevallen in de media: islomania oftewel eilandgekte. Het klinkt een stuk aangenamer dan pyromanie, maar wat is het precies?

Gezellige verhalen Marente de Moor
De mannelijke helft van de twee stellen in het verhaal Baksmaten heeft duidelijk last van die gekte. De twee vrienden brengen hun vakanties door op en onderweg naar eilanden. Ze zijn er welhaast door bezeten. Als het verhaal begint, bevinden ze zich op een cruiseschip ergens in de Stille Zuidzee. Ze hebben net Paaseiland bezocht en zijn nu op weg naar de Pitcairneilanden. Het klinkt als een exotische vakantie maar valt in de praktijk wat tegen. Negen dagen op volle zee en tussendoor slechts een paar kleine eilandjes om te bezoeken. De echtgenotes zijn het erover eens: als het aan hen had gelegen hadden ze nu op de cruise Singapore Dreams gezeten.

De mannen echter houden nu eenmaal van eilanden en kaarten, hydrografische kaarten wel te verstaan. Als voormalig zeebonken hebben ze elkaar jaren geleden gevonden in hun liefhebberij. Op Pitcairn aangekomen gaan ze op eigen houtje op zoek naar een verdwenen eiland. Want eilanden willen nog wel eens verdwijnen. Ze zinken, ze verplaatsen of ze zijn er nooit echt geweest. Dit draagt bij aan het mysterie dat om een eiland hangt. Marente de Moor maakt hier in dit verhaal dankbaar gebruik van.

Dat stuk land omgeven door water intrigeert mensen, al eeuwen lang. Je moet moeite doen om er te komen, je kunt niet weg wanneer je wil, de bewoners zijn ‘anders’, de elementen hebben er vrij spel en het water is nooit ver weg. Kortom, genoeg ingrediënten voor een goed verhaal.

Het is daarom niet verwonderlijk dat vele boeken het eiland in welke hoedanigheid dan ook, als onderwerp hebben. Ik las er afgelopen jaren heel wat, van reisverhaal tot roman, van sprookje tot thriller. Er is zelfs een echte eilandenatlas. Judith Schalansky schreef De atlas van afgelegen eilanden (2009) vanuit haar leunstoel. Opmerkelijke verhalen over vijftig eilanden die stuk voor stuk tot de verbeelding spreken.

Een greep uit andere eilandboeken die ik las, van oud naar nieuw:

•    Zuidenwind (1917) van Norman Douglas over een fictief eiland in de middellandse zee en zijn excentrieke bewoners;
•    Zilverig licht (2005) van Gerrit jan Zwier, een reisboek over o.a. Spitsbergen, IJsland en de Faroereilanden;
•    Stromboli (2007) van Fleur Bourgonje vertelt over het draaien van de film ‘Stromboli’ op het gelijknamige eiland in 1949 en de romance die zich daar afspeelde tussen regisseur en hoofdrolspeelster;
•    Het meisje met de glazen voeten (2009) van Ali Shaw, een sprookje waarbij op een afgelegen eiland vreemde dingen gebeuren
•    Pooldrift (2010) van David Mulder, hoofdpersoon Krijn vlucht naar een subtropisch eiland en doet daar zijn best om uit te blinken in zijn rol als lamlendige nietsnut
•    Hoger dan de zee (2012) van Francesca Melandri over een gevangeniseiland waar een paar bezoekers door onvoorziene omstandigheden de nacht door moeten brengen
•    Skios (2012) van Michael Frayn is een komische roman over een exclusief resort op een Grieks eiland. Het laat zien waar misverstanden toe kunnen leiden
•    Luchtvissers (2013) van Gerwin van der Werf over een bijna verlaten eiland met een buitenstaander. Hoe te overleven en hoe zijn de onderlinge verhoudingen in zo’n situatie?
•    Vlamberken (2014) van Lars Mytting waarin het ruige weer op de Shetland-eilanden een passend decor vormt voor het verhaal
•    Evenbeeld (2014) van Marianne en Theo Hoogstraaten, historisch thriller over de rampzalig verlopen reis van de Batavia en de stranding op eilandjes voor de kust van Australië

Nu ik hier zo induik, merk ik dat mijn gelezen-lijst bevolkt wordt door verrassend veel eilanden. Eilanden die ik slechts gezien heb door de ogen van de auteur, niet in levende lijve. Ik heb dan ook geen last van islomania en mag me geen insulafiel (eilandliefhebber) noemen, zoals Gerrit-Jan Zwier. Maar een eilandboekliefhebber, ja, daar wil ik me wel aan wagen. Maar ja, is daar ook een woord voor? Misschien een islobibliofiel?

Gezellige verhalen is een bundel waarin uiteenlopende personages op zoek zijn naar genegenheid en intimiteit. Dit is niet altijd even makkelijk te vinden. Lalagé schreef eerder over deze bundel en was erg enthousiast. Ik kan haar positieve woorden alleen maar onderschrijven.

Afgelopen jaren verscheen op deze blog regelmatig een recensie over een boek dat net dat beetje extra had. De boeken waren zeer divers, de recensies ook. Soms las ik een maand geen opvallend boek, soms twee achter elkaar. Mijn boekbelevingen vind je hier. Dit jaar wil ik het vanuit een andere invalshoek benaderen. Elke maand kies ik één boek uit waar iets verrassends in zit. Dat kan van alles zijn, een citaat, een vreemde naam voor een café, een gevoel dat je er aan over houdt, stijl, een woord, de mooie cover, muziek, noem het maar. Het vereist een wat andere manier van naar een boek kijken en laat je langer stilstaan bij het gelezene. Komend jaar ben ik gespitst op het  verwonderpunt.

Incognito jezelf zijn

Over Ach, deze leegte, deze verschrikkelijke leegte van Joachim Meyerhoff (2015)

Joachim Meyerhoff Ach, deze leegte, deze verschrikkelijke leegte
Een jaar geleden las ik mijn eerste boek van Joachim Meyerhoff: Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest (2013). Verrast door de schrijfstijl, de humor en niet in de laatste plaats het onderwerp werd ik fan van Meyerhoff. Toen A.W. Bruna Uitgevers mij een tijdje geleden vroeg of ik zijn nieuwe boek wilde recenseren, twijfelde ik geen moment.

Meteen al in het begin ben ik terug in de wonderlijke wereld van Meyerhoff. De hoofdpersoon Joachim is 20 en aangenomen op de toneelschool in München. Het blijkt lastig een kamer te vinden en hij trekt voor de eerste weken in bij zijn grootouders. Het worden drie jaren. Drie jaren in een schitterend huis waar nooit iets verandert. Drie jaren te midden van wonderlijke mensen die bijna 60 jaar samen zijn.

Grootvader is een markant man, emeritus hoogleraar in de filosofie en nog steeds scherp. Hij beheerst iets dat het tegendeel is van tovenarij, hij tovert met logica. Een talent dat bijvoorbeeld bij verloren fietssleutels goed van pas komt. Elke ochtend doet hij zijn gymnastiekoefeningen op het balkon. Door zijn leeftijd waren de oefeningen slechts een vage schaduw van wat ooit elegante en zwierige bewegingen waren. Meyerhoff beschrijft het mooi:

“Sommige oefeningen waren amper waarneembaar, minutenlang stond hij daar maar en gymde in zichzelf.”

Grootmoeder is een gewezen actrice en heeft nog steeds de air van een diva. Regelmatig blijkt haar acteerervaring uit haar theatrale uitroepen met bijbehorende gebaren, zoals: “Moooahhh …” (hier valt een lange pauze vol spanning) “de brie is verrukkelijk vanavond”. De geur van haar Dunhill menthol sigaret en de wolk Shalimar parfum maken dat zij niet ongemerkt voorbij kan gaan.

Het leven van deze bijzondere mensen lijkt een beetje op een sprookje. Dit verhaal ademt dezelfde atmosfeer als het eerste boek van Meyerhoff. De absurde rituelen die de grootouders erop na houden dragen hier aan bij. Op gezette tijden vloeit de alcohol rijkelijk. Sprookje en werkelijkheid vervloeien als de geschiedenis van hun leven samen wordt beschreven. Niet alles is altijd geweest zoals het nu lijkt.

Met zijn grootouders als thuisbasis doet Joachim zijn best om door de toneelschool heen te komen. Het gaat niet van een leien dakje. Hij was eraan begonnen met het idee dat toneelspelen jezelf verbergen is achter schmink, pruiken en dikke brillenglazen. Maar niets blijkt minder waar. Je moest juist jezelf zijn, jezelf blootgeven en jezelf laten zien. Dit blijkt erg lastig voor Joachim.

“Ik wilde op het toneel staan en daarbij niet worden gezien. Ik wilde incognito mezelf zijn.”

Met vallen en opstaan slaagt hij toch nog onverwacht en wordt ‘bühnenreife’. Zijn studiegenoten vinden snel een baan. Als het Joachim ook eindelijk lukt, blijft het toneelspelen een moeizame bezigheid voor hem. Tijdens de beschrijvingen van zijn strubbelingen betrapte ik mezelf op een zekere ergernis. Waarom toch doorgaan als het je niet ligt?, vroeg ik me af. Dit maakte dat de toneelschoolscènes mij minder aanspraken en ik uitzag naar het volgende hoofdstuk waarin de grootouders weer ten tonele werden gevoerd.

Hoewel dit boek een vervolg is op Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest is het heel goed op zichzelf te lezen. Ook hier ontbreken de humor en de treffende vergelijkingen niet. Het is een boek vol herinneringen aan een bijzondere studententijd maar bovenal een liefdevol portret van zijn grootouders.

Zwienden en sporken

En alweer bleven we ongedeerd - Hanna Bervoets

Voor het schap met maaltijdsalades slaat de twijfel toe. Makkelijk maar gezond komt in zoveel mogelijkheden. De blauwe kaas-peer met frambozenvinaigrette ligt gebroederlijk naast de Marokkaanse kip met couscous en munt-citroendressing. “Wil je echt gezond doen, neem mij dan!” lijkt de spinazie quinoa maaltijdsalade met soja-gember-sesamdressing mij toe te roepen. Ik zie ze een zucht slaken als ik naar de geitenkaas met honing-tijm dressing reik.

Een groot bord voor het schap belooft de koper een gratis spork bij aankoop van iedere maaltijdsalade, af te halen bij de servicebalie. Voor wie even niet meer wist wat een spork nu ook al weer precies was, staat het stuk bestek meer dan levensgroot afgebeeld onder de tekst. Een lepel en vork in één, uitgevoerd in een frisgroene kleur. Hij oogt hip. Je kunt er mee gezien worden als maaltijdsalade etende treinreiziger. Die wil ik uiteraard ook.

Een ‘spork’ is een goed voorbeeld van een – weliswaar Engels – samengesteld woord. Waarom een geheel nieuwe term bedenken voor een stuk bestek als de som der delen ook nog herkenning oplevert bij de gebruikers? Hen wellicht een glimlach ontfutselt als ze door hebben waar de naam vandaan komt? Toegegeven, het klinkt een beetje buitenaards, maar de naam is pakkend.

Hanna Bervoets stelt in haar columnbundel En alweer bleven we ongedeerd (2015) ook het gebruik van een samengestelde woord voor: de ‘zwiend’. Dit zijn vrienden van vrienden die niet jouw vrienden zijn. Je komt ze tegen op verjaardagen en bij verhuizingen, maar hoe noem je nu zo iemand? Bervoets vindt ze nog het meest op zwagers lijken: “je kiest ze niet zelf, het is jouw band met een ander die jullie tot elkaar veroordeelt. Voor ik verder ga, wil ik voorstellen om de vrienden van vrienden voortaan ‘zwienden’ te noemen.”

Bij menig lezer zal deze column een feest der herkenning zijn. Ja, dacht ik, toen ik het las, ik heb ook zwienden. Sommigen ken ik al jaren. Met de ene zwiend kun je het goed vinden, terwijl je met de andere na drie woorden al uitgesproken bent. Zo heb ik laatst nog met een zwiend een leuk gesprek gehad over Sri Lanka. Die paar keer per jaar dat ik haar zie, is net genoeg om op de hoogte te blijven van haar reizen.

Andere zwienden zie ik nooit meer. Als zwienden hebben wij onze band niet in de hand. De vriendschap tussen mijn vriend en zijn vriend was voorbij. En ook wij waren zwiend-af. “Ook in dat opzicht zijn het net zwagers. Na een scheiding ben je ze kwijt. Omdat je ze nooit écht hebt gehad.” Mijn vocabulaire is weer een woord rijker, of eigenlijk twee.

De tweede dankzij de supermarkt, waar ik even later met mijn maaltijdsalade bij de servicebalie sta. Ik tref er een zenuwachtige zaterdaghulp. “Een spork, een spork, ja, dat stond op een bord voor het schap, toch?” vraagt ze mij, terwijl ze alle laden opentrekt in de hoop het gevraagde object tegen te komen. Een paar telefoontjes later en nog meer opengetrokken laden en kastjes, draait ze zich naar mij om. “ik denk dat de sporken niet binnengekomen zijn, helaas. Maar goed dat u er naar vroeg, nu weten we het in ieder geval.”

Een goede daad rijker, maar zonder de hippe spork loop ik naar huis. Ongewild lijkt hij meer op de zwiend dan gedacht. Ik heb ‘m ook nooit écht gehad, bedenk ik me. En ach, met een mes en een vork is zo’n salade ook stukken makkelijker te eten. Zou er eigenlijk een ‘mork’ bestaan?

Afgelopen jaren verscheen op deze blog regelmatig een recensie over een boek dat net dat beetje extra had. De boeken waren zeer divers, de recensies ook. Soms las ik een maand geen opvallend boek, soms twee achter elkaar. Mijn boekbelevingen vind je hier. Dit jaar wil ik het vanuit een andere invalshoek benaderen. Elke maand kies ik één boek uit waar iets verrassends in zit. Dat kan van alles zijn, een citaat, een vreemde naam voor een café, een gevoel dat je er aan over houdt, stijl, een woord, de mooie cover, muziek, noem het maar. Het vereist een wat andere manier van naar een boek kijken en laat je langer stilstaan bij het gelezene. Komend jaar ben ik gespitst op het  verwonderpunt.

Een Brabantse roman

Over Machiel Dierks. Het leven van een dagloner van Anne Mieke Vermeulen (2015)

Machiel Dierks Anne Mieke Vermeulen
Tijdens een giveaway van Goodreads won ik het book Machiel Dierks. Het leven van een dagloner. Deel 1 Ketters en Paapsen van Anne Mieke Vermeulen. Een historische roman waarin een Brabantse dagloner in de eerste helft van de 19e eeuw centraal staat. Het is het eerste deel van een vierdelige cyclus. Het lag al een tijdje op de plank, dus het werd hoog tijd om het boek eens te lezen. Ik heb er geen spijt van gehad.

De protestantse Willem I is koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Als in 1830 het grotendeels katholieke België zich afscheidt, brengt Willem I een leger op de been. Veel arme mannen zien kans om een centje bij te verdienen en nemen dienst. Ze marcheren naar het zuiden van de Nederlanden en worden bij mensen thuis ingekwartierd. Voornamelijk bij katholieken ‘om ze in de gaten te houden’. Dit zorgt voor veel spanningen tussen protestanten en katholieken.

Katholieke dagloner Machiel Dierks is 15 en woont in Fijnaart met een handvol broertjes en zusjes, een moeke en een vader die, als het even kan, naar de fles grijpt. Ook in het dijkhuisje van de familie Dierks bivakkeren verschillende soldaten. Machiel doet zijn best om brood en peekoffie op de plank te krijgen. Gelukkig kan hij meewerken bij de meekrapoogst. Dan wordt hij door zijn baas, zonder de inhoud te kennen, min of meer gedwongen een petitie te tekenen voor meer zeggenschap door de katholieken. Dit heeft gevolgen die hij niet kan overzien.

Het verhaal wordt vanuit verschillende perspectieven verteld. Naast de Brabantse dagloner maken we kennis met een Leidse student en een Hoornse schippersknecht die in dienst gaat. Ook krijgen we een inkijkje in de gedachten van de dorpspastoor. Zo worden veel verschillende levens en geschiedenissen verteld en verweven. Ik kreeg af en toe het gevoel dat het misschien wel wat veel is voor de 223 bladzijden die het boek telt. Thema’s als geloof, oorlog, misbruik in de katholieke kerk, arm en rijk, ziekten, geweld, dood en familie wisselen elkaar af.

Vermeulen laat de Brabanders in hun accent spreken. Het is even wennen, maar daarna goed te lezen. Ook voor niet-zuiderlingen. Het kwam me zelfs bekend voor, ik hoorde in de woorden een Brabantse oud-collega van mij. Ook het Nederlands in de roman doet ouder aan. Verschillende archaïsche woorden wekken de 19e eeuw weer tot leven.

De schrijfster verwerkt veel geschiedenis in de tekst. Vaak in het verhaal zelf, maar hier en daar zijn er ook stukken die zo in een geschiedenisboek kunnen. Interessant, maar het ‘breekt’ het verhaal wel. De fijne schrijfstijl maakt echter dat je toch weer verder leest. Mijn kennis van de Tiendaagse veldtocht – en wat daaraan voorafging – is in ieder geval weer opgevijzeld.

Een leuke bijkomstigheid is dat ik Anne Mieke Vermeulen al een klein beetje ‘kende’. Zij blogt namelijk al een tijd over haar schrijfproces. Ik volg haar al wat langer en las over haar bezoeken aan Fijnaart en de research die ze deed. Op haar blog zijn bijvoorbeeld foto’s te vinden van de dijk in Fijnaart waar Machiel aan gewoond zou kunnen hebben. Dat maakt het wel bijzonder, om nu het tastbare resultaat van al die inspanningen in handen te hebben. Gesigneerd en al!

Seringenwijn

In IJstijd (2014) van Maartje Wortel zit muziek. Letterlijk. In de 235 bladzijden komen meerdere zangers, bands en songteksten voorbij. Ongeveer 50 bladzijden voor het einde schrijft de hoofdpersoon een mail met enkele regels uit een nummer dat herinneringen oproept. Herinneringen aan een ander deel van het land, aan een andere periode in mijn leven. Muziek kan dat, je terugbrengen naar een bepaald moment.
IJstijd Maartje Wortel
Het gaat om het nummer Lilac Wine. Origineel geschreven door de voor mij onbekende James Shelton in 1950. Daarna talloze malen gecoverd door o.a. Nina Simone, Jeff Buckley en John Legend. Ik hoorde Lilac Wine nu ruim 10 jaar geleden voor het eerst, in de uitvoering van Katie Melua.

Het was de tijd waarin je nog cd’s kocht. In winkels die nu al lang niet meer bestaan. Ik studeerde nog. Leerde de lesstof het liefst met achtergrondmuziek aan. De rustige muziek van Katie Melua was daar uitermate geschikt voor. Haar cd Call of the search (2003) met als laatste nummer Lilac Wine, kon ik dan ook dromen.

De tekst vertelt over een verloren geliefde. De verteller/zangeres zoekt zijn/haar troost in wijn, gemaakt van seringen. De wijn doet zijn werk en de verteller raakt steeds meer van de wereld.

It makes me see what I want to see
And be what I want to be
When I think more than I want to think
Do things I never should do
I drink much more that I ought to drink
Because it brings me back you

Maartje Wortel beschrijft het mooi: “Het haalt dingen terug die verloren zijn gegaan, ook al is er niets in mijn leven wat echt verloren is gegaan.”

En dat is precies wat dit nummer doet, wat muziek doet. Het haalt dingen terug die verloren zijn gegaan, vergeten. Ik zie mij weer zitten in mijn flatje. De gaskachel opgestookt. Kopje thee binnen handbereik. Voor me op de tafel de studieboeken uitgespreid. Potlood in de aanslag, collegeblok. Aan het leren voor dat tentamen. Weer eens te laat begonnen.

Ik zocht de songtekst op internet en vond op Wikipedia een verrassend detail over de oorsprong van Lilac Wine. Het lijkt zijn grondslag te hebben in een zin uit een Engelse roman uit 1925. In Sorrow in Sunlight van de Engelse, door Oscar Wilde geïnspireerde, schrijver Ronald Firbank biedt de hoofdpersoon op een feestje wijn aan: “a light, lilac wine, sweet and heady”. Precies de beschrijving die ook in de songtekst terug te vinden is.

Een paar zinnen in een boek en ik heb een verse herinnering, een CD om weer eens op te zoeken (op Spotify ditmaal) en een boekentip. Want schrijvers die zich laten inspireren door Oscar Wilde verdienen het om gelezen te worden, ook 90 jaar na dato.

Afgelopen jaren verscheen op deze blog regelmatig een recensie over een boek dat net dat beetje extra had. De boeken waren zeer divers, de recensies ook. Soms las ik een maand geen opvallend boek, soms twee achter elkaar. Mijn boekbelevingen vind je hier. Dit jaar wil ik het vanuit een andere invalshoek benaderen. Elke maand kies ik één boek uit waar iets verrassends in zit. Dat kan van alles zijn, een citaat, een vreemde naam voor een café, een gevoel dat je er aan over houdt, stijl, een woord, de mooie cover, muziek, noem het maar. Het vereist een wat andere manier van naar een boek kijken en laat je langer stilstaan bij het gelezene. Komend jaar ben ik gespitst op het  verwonderpunt.

De kantoortuin

Over De kamer van Jonas Karlsson (2009)

Jonas Karlsson - De kamerOp een dag was hij er: Björn. De nieuwe collega bij de Instantie. Overgeplaatst in overleg met zijn vroegere chef, om zijn “heil elders te zoeken”. Björn ziet het als een nieuwe stap in zijn carrière. Hij was zijn vroegere functie ontgroeid en kon het niet altijd goed vinden met zijn collega’s. Op de dag dat de eerste sneeuw valt in Stockholm begint hij vol goede moed aan zijn nieuwe baan. Al snel blijkt het toch niet helemaal te zijn wat hij zich er bij had voorgesteld.

Door de ogen van de zeer gestructureerde Björn maken we kennis met zijn collega’s. Stuk voor stuk voldoen ze niet aan zijn standaarden. De ene ziet eruit alsof zij “graag gelijk heeft”, de andere stoort hem voortdurend met allemaal praktische informatie waar hij als nieuwe collega wat aan zou kunnen hebben. Ook zijn dunharige chef gedraagt zich niet chefwaardig. Zelfs de op het eerste gezicht aardige receptioniste lijkt er onaangename bezigheden op na te houden. Gelukkig heeft hij zijn kamertje.

Zijn collega’s zien het ietwat anders. Zij vinden Björn maar een rare snuiter. Hij onttrekt zich aan elke vorm van sociaal contact, negeert hen, voelt zich veel beter dan zijn collega’s en staat tot overmaat van ramp regelmatig tijden naar een muur te staren. De kamer, waar Björn volgens eigen zeggen op dat soort momenten in zit, zien zij niet. Letterlijk niet.

Met een vlotte pen beschrijft Karlsson het leven in een kantoortuin. De interacties tussen collega’s, de procedures en feestjes. Het zijn herkenbare situaties voor hen die hun werkdagen ook in kantoortuinen slijten. Ik kan het weten … Björn had ook mijn collega kunnen zijn.

Het verhaal wordt verteld door Björn zelf. Naarmate het boek vordert, begin je je steeds meer af te vragen of hij wel een betrouwbare verteller is. Is er werkelijk een complot tegen hem? Bestaat de kamer nu wel of niet? Het is de vraag wiens werkelijkheid de juiste is. Of is dat een kwestie van hoe je er tegenaan kijkt?

De kamer is een vermakelijke satire op het kantoorleven en overheidsinstanties, een licht-absurdistisch verhaal dat toch heel herkenbaar is. Het heeft mij heel benieuwd gemaakt naar andere boeken van de Zweedse schrijver. Tot nu toe is De kamer het enige boek dat in het Nederlands is vertaald. Maar daar komt binnenkort verandering in. In april dit jaar verschijnt De rekening. Mijn ntl-lijstje is net weer wat langer geworden.

Pubquiz in een boekwinkel

Pubquiz in een boekwinkel
“Is dit een boek van Anja Meulenbelt? Oranje is nee, blauw is ja.” De vrouwen kijken om zich heen. Gefronste wenkbrauwen ontmoeten vragende ogen. Aarzelend gaan de eerste oranje kaarten omhoog. Ook een paar blauwe. De meningen zijn verdeeld. Ook ik twijfel. Ik ken Anja Meulenbelt van naam, als feministische auteur. Een boek van de schrijfster heb ik echter nooit gelezen. De schaamte voorbij is de enige titel die bij me opkomt. En dat is niet de titel die de vragenstelster zo-even heeft genoemd. Aarzelend steek ik mijn oranje kaart omhoog.

Oranje blijkt de juiste keuze. “Het was puur een gok” hoor ik een blije stem naast mij fluisteren. Mijn andere buurvrouw zakt terug in haar stoel, de blauwe kaart nog half geheven. Een zweem van teleurstelling op haar gezicht. Heel kort. De volgende vraag is al weer gesteld en eist de aandacht op.

Boektitels, beginzinnen en hoofdpersonen komen in een vlot tempo voorbij. Oranje en blauwe kaarten worden afwisselend in de lucht gestoken. De staanden komen geleidelijk in de minderheid. De zittenden fluisteren elkaar de antwoorden toe, begeleid door opmerkingen als “Die had ik ook wel geweten” en “Als die vraag nu aan het begin was gesteld …”. Het mag echter niet baten. Zij zitten en alleen de staanden maken nog kans in deze ‘pubquiz-maar-dan-anders’.

Tot mijn eigen verbazing sta ik ook nog. Moeilijke en makkelijke vragen wisselen elkaar af. De hoofdpersoon van Nooit meer slapen is natuurlijk Alfred Issendorf en niet Henri Osewoudt. Met de publiciteit rondom de verfilming is het 50 jaar oude boek groot nieuws. Veruit de meeste andere staanders weten dit dan ook.

De geboorteplaats van Jannie Regnerus is lastiger. Een paar jaar geleden schreef ik een recensie over haar boek Het lam. Daar is me van bijgebleven dat ze uit Friesland kwam. Maar welke plaats dat was… Weer een gok. Oudebildtzijl klinkt op de een of andere manier aantrekkelijker als schrijflocatie dan Minnertsga. Ik ben er wel eens doorheen gereden. Een lange dijk in Noord-Friesland met typische dijkhuisjes. Blauw dan maar.

De oranje kaarten mogen gaan zitten. Ik kijk om me heen en zie dat ik nog maar een paar mede-staanders heb. Voor mijn eerste deelname aan een pubquiz geen slechte score, flitst er door mijn hoofd. Een paar vragen later zijn we nog maar met z’n tweeën. Ik vertegenwoordig de linkerkant van de waaier waarin de stoelen opgesteld staan, mijn mede-staander de rechterkant. We kijken elkaar aan, wisselen een glimlach en een blik waar ‘dit had ik ook niet verwacht’ in besloten ligt.

We blijven gelijk opgaan. Na nog een paar vragen en een blik op de tijd stelt de boekhandelaar iets anders voor. “Hoeveel boeken heeft Jan Willem, hier naast me, geschreven?” vraagt hij. “Degene die er het dichtste bij zit, wint.” De vragenstelster knikt goedkeurend en gebiedt ons een voor een naar voren te komen om een getal op te schrijven.

En terwijl mijn mede-finalist al naar voren loopt, bekijk ik de schrijver. Zijn achternaam zegt me niets. Het is een man van middelbare leeftijd en het zou me niet verbazen als hij al enkele tientallen boeken op zijn naam heeft staan. Of misschien maar één. Net gepubliceerd. Ik ga uit van de omvang van het oeuvre van een paar schrijvers van zijn leeftijd en doe een gok.

De blikken zijn gericht op de schrijver. Een glimlach speelt om zijn lippen als hij onze antwoorden ziet. Zijn ogen dwalen over de afgevallen pubquizkandidaten die, benieuwd naar de uitslag, ongemerkt een beetje naar voren buigen. “Er ontbreekt een nul” begint hij “achter de 6”. En kijkt mijn kant op. “Maar het komt er wel het dichtste bij”.

Geleidelijk dringt het tot me door. Gewonnen, denk ik, ik heb gewoon een pubquiz gewonnen. In een boekwinkel!

Liefde in tijden van kinderen

Peter Middendorp Ben je gelukkig?Over Ben je gelukkig? (2015) van Peter Middendorp

In het verleden las ik al enkele columnbundels, o.a. van Auke Kok en A.L. Snijders. Ze bevielen me goed. Toen ik de bundel van Peter Middendorp zag liggen op de tafel met aanbevolen boeken in de bibliotheek, was er geen moment van twijfel. Dit boek gaat mee naar huis. Ik kende de auteur van naam, van zijn boek Vertrouwd voordelig (2014) dat genomineerd was voor de Libris Literatuurprijs. Zijn columns, die hij schrijft voor de Volkskrant, kende ik niet.

Middendorp laat zich inspireren door wat hij ziet, meemaakt en laat daar zijn gedachten over gaan. Waarom zegt iemand wat hij zegt? Wat beoogt hij daarmee? Wat zie ik de persoon denken? Zijn gedachten verwoordt hij in heerlijke zinnen, die ik met een glimlach lees. Zo is de column Achterdocht niet gespeend van enige zelfspot. Tijdens een interview met Radio Emmen laat een uitspraak van de presentator hem eens nadenken over het Drent-zijn:

Je moest altijd achterdochtig zijn, en dat was ik ook wel, ik was een Drent. Maar evengoed werd je wel eens door Drenten als Drent in een Drents programma uitgenodigd, helemaal onder ons, en bleek je in de studio ineens de verkeerde Drent te zijn, een Zuidoost-Drent, van wie andere Drenten niet altijd iets moesten hebben.
Het verbaasde me dat Drenten onderling nog zo veel kwaliteitsverschillen konden zien, maar misschien was het wel gewoon de loop der dingen: de wereld keek neer op Nederland, Nederland op Drenthe, Drenthe op Zuidoost-Drenthe, wij op Weiteveen, en de Weitevener hing zich op.

Middendorp heeft overigens door dergelijke uitspraken al veel boze Drenten over zich heen gekregen. In september 2014 werd de schrijver bedreigd vanwege uitspraken over zijn jeugd in Drenthe. Bij de boekpresentatie in een boekwinkel in Emmen moest hij daarom beveiligd worden. Het zette de schrijver wel in the picture en leverde hem een interview op bij Pauw.

Voordat Middendorps columns in de Volkskrant verschenen, schreef hij voor De Pers over politiek Den Haag. In Ben je gelukkig? is deel III Thuis geheel gewijd aan deze politieke columns. Tijdens het lezen is er veel herkenning. De beschrijving van Rutte klopt, zo zien we hem ook op tv:

Zijn gezicht breekt altijd open als hij iemand ziet. Een mens komt er onzeker van op de benen te staan: zijn mond ging open, de wenkbrauwen schoten omhoog – in en op de premier maakte alles zich gereed voor een overdonderende uitbraak van hartelijkheid.

Maar er zijn ook scherpe kritieken, waarin politici niet gespaard blijven. En ook Middendorp zelf komt er niet altijd goed vanaf. De schrijver deinst er niet voor terug zijn eigen fouten en misstappen te benoemen. Zinnen in de trend van “Hier had ik het bij moeten laten” kom je regelmatig tegen. Over Ferry Mingelen schrijft hij:

Vaak nam ik me voor om niet meer over hem te schrijven. Te lang doorgaan is voor niemand leuk. Maar ik weet niet. Sommige vijanden zijn net als nootjes of bastognekoekjes – het hoofd zegt nee, het lichaam ja. En dan stond toch weer een lullig stukje in de krant.

Maar het zijn vooral de columns over het dagelijkse leven, zijn vriendin en kind, die mij bij zijn gebleven. In het laatste deel van deze bundel beschrijft de auteur hoe hij reageert op een inbraak in zijn huis en hoe zijn vriendin dat graag anders had gezien. In woorden en gebaren vindt de communicatie plaats. Gebaren die in de column Pinguïn tijdens een woordeloze discussie tussen schrijver en vriendin zo beeldend worden beschreven dat ik ze helemaal voor me zie:

Ik keek naar mijn vriendin, mijn vriendin keek terug. Ik schonk een glas wijn in, mijn vriendin keek op haar pols. Woordeloos, de kinderoren moesten gespaard, vertelde ze me dat het te vroeg was voor wijn. Woordeloos probeerde ik – ‘Zeg, je moet niet op je pols kijken als je geen horloge draagt, want dat is irritant’ – terug te communiceren.

“Liefde in tijden van kinderen”, noemt de schrijver het met een mooie literaire verwijzing. Hij vindt het “een onmogelijke noodzaak”. Gelukkig is het ook een goede bron voor columns.

Indrapoera in Den Haag

Oscar - Jan SiebelinkSoms heb ik dat. Wordt mijn aandacht getrokken door een woord in een boek dat ik aan het lezen ben. Misschien ben ik het woord onbewust ergens eerder tegengekomen. Roept het nu een lastig thuis te brengen gevoel van herkenning op. In het verleden had ik het al eens met het woord Saudade in Valse papieren van Valeria Luiselli. Vanmiddag tijdens het lezen van Oscar (2012) van Jan Siebelink bleef ik hangen op pagina 62. Om precies te zijn bij “Indrapoera op het Buitenhof”.

Plaats van handeling is Den Haag, een paar jaar voordat de Tweede Wereldoorlog begint. Op de bewuste pagina staat: “Esmée en Bettie werden vriendinnen, deden op zaterdag samen boodschappen, lunchten in Indrapoera op het Buitenhof, of namen de trein naar Scheveningen.” Waar de herkenning vandaan komt, heb ik niet kunnen achterhalen. Nieuwsgierig was ik wel en zocht ‘Indrapoera op het Buitenhof’ op.

Indrapoera bleek een befaamd Indisch restaurant te zijn in Den Haag. Het zat naast de ingang van de Passage. Op internet kom ik meerdere foto’s tegen. Van het gebouw zelf, maar ook verrassenderwijs van oude suikerzakjes van het restaurant die te koop worden aangeboden. Het restaurant bestaat niet meer. Eten kun je er nog wel, in het Mexicaanse restaurant Popacatepetl.

Indrapoera wordt overigens vaker gebruikt als naam voor een (Chinees-) Indisch restaurant. Nederland kent vele Indrapoera’s. Het is een plaats op Sumatra, een meisjesnaam en betekent ‘de machtige’. Ook is het een passagierschip dat voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog regelmatig op en neer voer naar Nederlands-Indië.

En Google heeft nog meer in petto. Indrapoera blijkt niet alleen in Siebelinks boek Oscar een rol te spelen. Ook in zijn boeken Verdwaald gezin (1993), Vera (1997) en Het lichaam van Clara (2010) wordt het restaurant bezocht door de personages. En ik sluit niet uit dat het ook in andere boeken van hem opduikt. Op zijn minst opmerkelijk. Wat heeft de in Velp opgegroeide auteur met dit Haagse restaurant?

Op de site van de schrijver staan wandelingen door plaatsen die een rol spelen in zijn boeken. Naast straten, pleinen en verschillende gebouwen vormen restaurants en cafés ook markeringspunten op de kaart. Wellicht dat niet alleen Indrapoera vaker voorkomt. Het zou een leuk onderwerp van onderzoek kunnen zijn voor een student Nederlands. Het is dat ik al jaren afgestudeerd ben …

Afgelopen jaren verscheen op deze blog regelmatig een recensie over een boek dat net dat beetje extra had. De boeken waren zeer divers, de recensies ook. Soms las ik een maand geen opvallend boek, soms twee achter elkaar. Mijn boekbelevingen vind je hier. Dit jaar wil ik het vanuit een andere invalshoek benaderen. Elke maand kies ik één boek uit waar iets verrassends in zit. Dat kan van alles zijn, een citaat, een vreemde naam voor een café, een gevoel dat je er aan over houdt, stijl, een woord, de mooie cover, muziek, noem het maar. Het vereist een wat andere manier van naar een boek kijken en laat je langer stilstaan bij het gelezene. Komend jaar ben ik gespitst op het  verwonderpunt.